Lies Sotthewes stuurde me de volgende openingszin: ‘Midden in het kale land staat de trein plotseling stil.’ ‘In een ver verleden moest ik met deze zin een opstel voor Nederlands schrijven,’ liet ze me weten, ‘en nu ben ik benieuwd wat jij ervan maakt.’
Welnu, hier komt mijn versie:
Mijn beste vriendin
Midden in het kale land staat de trein plotseling stil.
De remmen piepten daarnet zo hard dat ik mijn handen tegen mijn oren moest drukken. Kijkt iedereen nou naar mij? Dat kan toch niet. De struiken zitten helemaal vol met donkergroene blaadjes, daar kan niemand doorheen kijken. Toch is het net alsof ik allemaal boze ogen zie achter de ramen van de trein.
Alle ogen zijn gericht op Kwatta, zegt mijn moeder altijd, ik snap nooit wat ze daarmee bedoelt want ik heet helemaal geen Kwatta, maar ze lacht er altijd bij, dus ik denk dat ze dan niet echt boos op me is. Hoewel, sinds ik in het tehuis zit, heb ik haar niet vaak meer zien lachen. De meneer met wie ik elke dag moet praten zegt dat mijn moeder verdrietig is, en dat ze daarom ook niet zo vaak komt.
Ze weet dus niet dat het allemaal de schuld van Saskia is. Denkt ze nou echt dat ik Patrick onder een auto heb geduwd? Ze was er zelf bij! Saskia liet die stomme Patrick struikelen. Oké, dat deed ze om mij te helpen, en dat was lief van haar, maar ik was zo langzamerhand heus wel gewend aan het gepest van die speknek en dat hij altijd geld van me wilde vond ik helemaal niet erg. Ik wist toch niet wat ik met al dat zakgeld moest doen. Ja, ha, ha, kleren en mooie dingen kopen voor Saskia. Nou, die heeft ze echt niet meer nodig nu de trein over haar heen is gereden.
De meneer met wie ik elke dag moet praten heeft gezegd dat Saskia het niet gedaan kan hebben en dat ik dat ook best weet. ‘Je bent zo’n flinke meid,’ zei hij, ‘misschien kun je proberen een brief te schrijven aan de vader en moeder van Patrick?’
Hij heeft makkelijk praten, wat zou ik moeten schrijven? Beste vader en moeder van Speknek, weten jullie wel dat mijn beste vriendin uw zoon heeft vermoord en niet ik?
Er komt een man naar buiten. Hij is vast de baas van de trein. Hij rent terug, helemaal tot waar Saskia ligt. Nog iemand stapt uit. Als de baas van de trein vlakbij de plek komt waar ik haar heb vastgebonden, gaat hij langzamer lopen. Dan gooit hij zijn handen in de lucht, zoals mijn vader altijd deed als ik weer eens iets stoms had gedaan.
Hij pakt haar op, haar plastic tasje stuitert op de rails.
‘Het is maar een pop!’ roept hij, terwijl hij zich omdraait. Zijn stem slaat over. ‘Jezus, het is maar een pop!’
Lies Sotthewes en Nicolet Steemers