Let op: Deze website is gerestaureerd met behulp van gearchiveerde inhoud. De website eist geen rechten op deze inhoud.

Bordewijk, Hermans en het surrealisme

Bordewijk, Hermans en het surrealisme

Boeken Comments Off

Brieven 1944-1965: Een onmiskenbare verwantschap

door Hans Renders

Helemaal niet slecht, maar het lijkt te veel op het proza van F. Bordewijk. Zo ongeveer luidde de reactie van uitgeverij Meulenhoff nadat de 23-jarige Willem Frederik Hermans in 1944 een paar manuscripten had ingestuurd. De uitgever had de toen invloedrijke letterkundige D.A.M. Binnendijk gevraagd een oordeel te geven en die schreef: ‘Wat bij Bordewijk een persoonlijke stijl is, overeenkomstig een eigen ziens- en zijnswijze, lijkt hier navolging en forceering.’

Nu kunnen wij hier, met het gelijk van de literatuurgeschiedenis aan onze zijde, cynisch over Binnendijk doen, maar hij had wel een punt. Er bestaat inderdaad een treffende overeenkomst in ‘ziens- en zijnswijze’ tussen de schrijver van Fantastische vertellingen, Blokken, Bint, Rood paleis, Karakter en de auteur van Conserve, Moedwil en misverstand en De tranen der acacia’s. Alleen op het moment dat Binnendijk zijn oordeel gaf, had Bordewijk zijn romans al gepubliceerd en moest Hermans nog beginnen.

En hoewel Hermans een beetje verontwaardigd deze aantijging van plagiaat aan Bordewijk voorlegde, schreef hij er eerlijk bij wel te willen toegeven dat ‘het lezen van Uw boeken, die mij zeer troffen, sporen heeft nagelaten’.

Dit eerste schrijven aan de 36 jaar oudere Bordewijk vormde het begin van een bescheiden correspondentie, die tot Bordewijks dood in 1965 zou duren. In een keurig verzorgd boekje zijn de 33 brieven van Bordewijk en de achttien brieven van Hermans, waarvan één aan mevrouw Bordewijk na de dood van haar man, nu uitgegeven en geannoteerd.
Niet alle brieven zijn bewaard gebleven, maar toch valt goed te begrijpen waarom de twee heren zich verwant voelden, ook omdat Hermans in 1979 een artikel over zijn contact met Bordewijk heeft geschreven dat in het uitstekende nawoord van Marsha Keja en Arno Kuipers bij dit boekje van commentaar is voorzien.

Hoewel Bordewijk en Hermans elkaar een enkele keer opzochten, waren zij te verschillend van karakter om vrienden te worden. Eén keer wendde Hermans tijdens een ontmoeting zelfs hoofdpijn voor, omdat hij zich gewoon stierlijk zat te vervelen. Nee, hun verwantschap zat in een gemeenschappelijke belangstelling voor het surrealisme.
Hermans werd na de oorlog redacteur van Criterium, het literaire tijdschrift waarin een lans werd gebroken voor de droom in de literatuur, het fantastische en het mythische.

In 1947 besprak Bordewijk in het Utrechtsch Nieuwsblad twee bijdragen uit Criterium – Dokter Klondyke van Hermans en een fragment uit de roman Bewolkt bestaan van Cola Debrot – onder de kop Iets over surrealisme. Hij prees daarin vooral Hermans’ talent in de traditie van het Franse surrealisme te schrijven. Bordewijk had zijn grote romans toen al geschreven, had het druk als advocaat, maar schreef ondertussen aan korte schetsen die hij zelf avant-gardistisch noemde.
Hermans op zijn beurt zorgde ervoor dat enkele van die schetsen in Criterium werden gepubliceerd.

De verwantschap zat puur en alleen in het werk. En daar kon dan ook nog eens alleen per brief uiting aan worden gegeven. Als weer een ontmoeting op stapel stond, schreef Bordewijk vormelijk: ‘Dat ons komende gesprek ook de letterkunde zal insluiten, lijkt me niet bij voorbaat onmogelijk.’ Er zijn afspraken waar een avant-gardistische schrijver meer naar uitkijkt, zoveel is duidelijk.

De hoogtepunten uit deze voor het overige nogal brave brieven zijn zonder twijfel de passages waarin de heren elkaar bekritiseren. Bordewijk over Mandarijnen op zwavelzuur: ‘Uw stijl zou hier en daar nog wat herzien kunnen worden en enkele grove kantjes bij geslepen tot scherp.Õ En Hermans’ commentaar op Bordewijks bundel Onderweg naar de Beacons is zelfs te lezen als een beginselprogramma van het surrealisme: ‘Men bemerkt in Uw proza een soort verlegenheid tegenover de levende dingen. De meeste geslaagde persoon uit dit verhaal, de enige die werkelijk plastisch tot leven komt is dan ook niet werkelijk een levend ding: ik bedoel de automaat.’

Bordewijk vatte dit oordeel op als een compliment. En toen Bordewijk Hermans zijn verhaal De fruitkar stuurde, kwam weer een compliment van het zuiverste surrealistische water retour: ‘Dit stenen fruit is een huiveringwekkende geniale vondst, een op onnaspeurlijke wijze toegebrachte stoot in het onderbewustzijn.’
En wat vond Bordewijk zelf van het door Binnendijk opgemerkte bijna-plagiaat? Hij vond dat Binnendijk overdreef, maar: ‘Eenige verwantschap met mijzelf trof ik inderdaad hier en daar aan.’

Naarmate de correspondentie vordert, begint Bordewijk het zelfs om te draaien en ziet hij steeds vaker hoe hijzelf door Hermans wordt be•nvloed. En daar was hij maar wat trots op, want nog vlak voor zijn dood had hij Hermans onze grootste levende schrijver genoemd.

Author

Back to Top