Engelen vallen langzaam van Karl Ove Knausgard is een theologische roman, twee familieromans, een essay en een historisch-filosofische roman ineen.
door Theo Hakkert
In zijn vaderland Noorwegen heeft Karl Ove Knausgård (41) het imago van een rockster in de letteren. Die status heeft hij vooral te danken aan de serie onverbloemd autobiografische romans onder de provocerende titel Min kamp, ofwel Mein Kampf, die hij in korte tijd heeft uitgegeven. Inmiddels bestaat de reeks uit zes boeken, samen meer dan drieduizend bladzijden. Ze zullen worden vertaald, maar de paraplutitel zal zoiets worden als Mijn strijd.
Voor het zover is wordt Knausgård hier geïntroduceerd met zijn tweede roman, Engelen vallen langzaam. Als deze enige indicatie geeft van de kwaliteit van Min Kamp gaan we mooie tijden tegemoet. Engelen vallen langzaam is een meeslepende, erudiete roman over, ja, engelen. Het is een theologische roman, twee familieromans, een essay en een historisch-filosofische roman ineen. Het is zo’n leeservaring waarbij je na 658 pagina’s eens rustig een dag of wat gaat nadenken over wat je zojuist hebt meegemaakt.
Onder andere heb je 125 pagina’s lang ademloos het overbekende Bijbelverhaal van Kaïn en Abel gelezen plus nog eens, al even ademloos, 250 over Noach en zijn familie, culminerend in de zondvloed. Knausgård schrijft beide verhalen op met een inzet en stijlkracht alsof hij zelf deze familiesaga’s heeft bedacht.
Terwijl beide verhalen eigenlijk hooguit als illustratie gelden voor het hoofdverhaal dat hij wil vertellen over de zestiende-eeuwse Italiaanse wetenschapper Antinous Bellori, die als jongen van elf al spelend in een bos twee badende engelen ziet. Het tafereel laat hem niet meer los en hij besluit het fenomeen engel diepgaand te bestuderen. De dikke studie die hij erover schrijft, wordt door de katholieke kerk onmiddellijk op de Index gezet. Een latere biograaf weet met moeite een exemplaar te vinden.
Overigens: Bellori is fictief, al zou je zweren dat het allemaal heus zo gebeurd zou kunnen zijn. Hij past zo wonderwel in het rijtje met illustere onderzoekers als Giordano Bruno, Descartes, Pascal en Newton, die door Knausgård worden aangehaald. Waarbij hij en passant Freud even als een dilettant in de hoek zet. Freud is van later, maar deze schrijver zweeft moeiteloos door de tijden.
De centrale stelling is dat engelen, die in de Bijbel steevast God begeleiden als hij zich op aarde vertoont, na de dood van God niet terug naar de hemel hebben kunnen komen en hier moreel in verval zijn gekomen. Aanpassen of assimileren lukte niet, zelfs na eeuwen niet. De engelen zijn gevallen, maar langzaam.
Later, aan het eind van zijn leven, treft Bellori weer twee engelen in dezelfde beek. Ze staan elkaar naar het leven. Hij is dan al in de beroemde blauwe kapel van Giotto in Padua tot het inzicht gekomen dat God dood is.
Sindsdien heeft de engel een bestaan op aarde moeten zoeken. Dat is hem slecht bevallen. In het laatste deel is de engel langzaam in een zeemeeuw geëvolueerd. Het is een vreemd slot voor deze roman. Het verhaal speelt in de huidige tijd en gaat over een man die zich terugtrekt op een eiland, eigenlijk net zo in verval als de engelen, net zo eenzaam ook. ’s Mans zelfverminking komt als een schok.
Blijkbaar is dit de hoofdpersoon uit Niet van deze wereld, Knausgårds niet vertaalde eerste roman. Deze Henrik Vankel gaat in dat boek een relatie aan met ene 13-jarige leerlinge. Ook die roman handelt over slecht functionerende families. Daar ligt een directe lijn naar de familiesaga’s in dit boek. Beide romans zouden het begin zijn van een trilogie.
Karl Ove Knausgård is niet bang voor de grote greep. We gaan we nog veel van hem horen en lezen.