De forellenopera lonkt misschien iets te nadrukkelijk naar de status van great Australian novel om die ook echt te bereiken.
door Dirk-Jan Arensman
Over de premisse van De forellenopera, de zevende roman van de Australiër Matthew Condon (1962) en de eerste die in vertaling verschijnt, moet je je wel even heen zetten. Een 99-jarige man, Wilfred Lampe, wordt door twee mannen letterlijk uit zijn achtertuin in het afgelegen dorpje Halgety in New South Wales geplukt. Het duo is gestuurd door de organisatoren van de Olympische Spelen van 2000 in Sydney, omdat die Lampe een symbolische rol bij de openingsceremonie hebben toebedacht, als vertegenwoordiger van de Australische pioniersgeest en een eeuw levende, ademende geschiedenis.
Maar als ze aankomen, blijkt hun uitverkorene net op het punt te staan het tijdelijke voor het eeuwige te verwisselen. Ze laten hem met spoed per helikopter naar een ziekenhuis in Sydney overbrengen, waar hij, in de waan dat de witte opnamekamer de hemel is, de tijd krijgt om zijn leven te overdenken. En ondertussen moet het olympische comité alle zeilen bijzetten om dit dreigende fiasco uit de pers te houden én Lampes enige nog levende familielid zien op te sporen, zijn achternichtje Aurora.
Het klinkt nogal vergezocht, maar op die wankele basis bouwde Condon een bijzonder aardig epos. Een meanderend boek van ruim zeshonderd pagina's waarin kleine, persoonlijke verhalen en de grote bewegingen van de tijd mooi bij elkaar komen. Beweging is trouwens niet een woord dat direct bij de oude verteller Lampe past, want uit angst en verknochtheid aan zijn geboortedorp is hij eigenlijk altijd in Halgety blijven hangen. Een eenvoudige man, die wat viste en rommelde rond zijn huis en zijn zelfgekozen isolement als eeuwige vrijgezel langzaam in eenzaamheid zag ontaarden. Wat uiteraard niet wil zeggen dat hij zich niet genoeg te herinneren heeft.
Zo is er die opvoering van De forellenopera, een schooltoneelstuk waarin hij in 1906 een hoofdrol speelde als koning der forellen; een dramatisch verlopen avond, die in zijn leven mythische proporties aannam. De verdwijning van zijn zusje Astrid, van wie iedereen aannam dat ze kort daarna was overleden, maar die een heel wat avontuurlijker bestaan blijkt te hebben geleid. En, bovenal, Snow River: de rivier waaraan hij opgroeide, was ooit de Nijl van Australië, maar verwerd door het in naam van de vooruitgang bouwen van dammen tot een treurig modderstroompje.
Dat laatste had gemakkelijk een galmende metafoor kunnen zijn, maar Condons proza is vaak zo ingehouden poëtisch en sprankelend dat je je graag door zijn trage verhalenstroom laat meevoeren. Je maakt mee hoe Lampe de bron van Snow River zoekt en níet vindt, de liefde van zijn leven door zijn vingers laat glippen en ondertussen van een afstandje oorlogen voorbij ziet trekken en de maatschappij ziet veranderen.
Lampes hoofdstukken worden afgewisseld met die van drie andere vertellers. Zijn junkienichtje Aurora, die in de schimmiger regionen van modern Sydney het hoofd boven water probeert te houden. Haar psychopathische ex-vriendje Wynter, die, achtervolgd door een traumatische jeugd met een godsdienstwaanzinnige grootvader, zichzelf ongemerkt steeds verder in misdaadproblemen werkt en zint op wraak op de vrouw die hem verliet. En, tot slot, Graham Featherstone, een mislukkende diskjockey die in de nachtelijke uren plaatjes draait, als zijn vrouw hem eenmaal verlaten heeft, dronken tirades afsteekt tegen de PVV-stemmers van zijn down under en stiekem hoopt op een groot journalistiek verhaal om zijn carrière uit het slop te halen.
Sterke personages, die voor de (soms brood)nodige dynamiek, tragikomische momenten en, in het geval van Aurora en Wynter, zelfs een thrillerachtig nevenplotje zorgen. Uiteindelijk komen hun geschiedenissen samen in een finale die gevaarlijk op de rand van het sentimentele balanceert, maar nét niet naar beneden dondert. Mede door het geestige verslag van de echte openingsceremonie van de Sydney Olympics dat Condon erdoorheen weefde.
De forellenopera lonkt misschien iets te nadrukkelijk naar de status van great Australian novel om die ook echt te bereiken. Maar knap, zij het soms wat kabbelend, is deze roman zonder meer. Bij vlagen zelfs betoverend.