Christos Tsiolkas: De klap - Wat weten we eigenlijk van elkaar? En zijn we zelf een haar beter?
door Alle Lansu
In zijn roman De klap houdt de Australische schrijver Christos Tsiolkas (1965), zoon van Griekse immigranten, zijn landgenoten een spiegel voor, waar veel Australiërs zich, niet altijd zonder gene, in herkenden. Die herkenning droeg er vermoedelijk toe bij dat het boek een bestseller werd. Dat de roman tegelijkertijd ook de nodige literaire kwaliteiten in zich bergt, blijkt wel uit de toekenning van de Commonwealth Prize en de longlistnominatie voor de Man Booker Prize.
De klap uit de titel wordt in het begin van de vuistdikke roman uitgedeeld op een barbecuefeestje waar een van de aanwezigen het stierlijk vervelende zoontje van andere gasten tot de orde roept. De vraag of je als buitenstaander fysiek in mag grijpen als ouders schromelijk tekort schieten in hun gezag vormt vanaf dat moment een splijtzwam onder de aanwezigen die elkaar allemaal kennen in enig vriendschappelijk of collegiaal verband. Terwijl de ouders van het etterbakje aangifte van mishandeling doen en er uiteindelijk een rechtszaak volgt, blijft de kwestie rondzingen in de gesprekken tussen de verschillende personages die allemaal zo hun eigen kijk op de zaak hebben. De splijtende loyaliteitsconflicten tussen echtgenoten en vrienden vormen een rode draad in de roman.
Uiteindelijk gebruikt Tsiolkas dit gegeven voor een zedenschets van de middenklasse van de multiculturele Australische maatschappij. Dat doet hij aan de hand van de levensverhalen van een achttal betrokken personages. In sterke psychologische portretten komen ze tot leven in hun dromen en idealen, hun desillusies en frustraties, hun onzekerheden, angsten en geheimen, hun onhebbelijkheden en hun korte lontjes en, uiteindelijk, hun eenzaamheid. Tsiolkas geeft ook een scherp beeld van de onderhuidse ergernissen en rivaliteiten in hun onderlinge verhoudingen. Met gevoel voor drama en uit het leven gegrepen dialogen zet hij confronterende scènes neer. Het gaat er vaak venijnig aan toe.
Nee, de Australiërs worden hier niet neergezet als een erg fijnzinnig volkje. In het rauwe realisme van Tsiolkas wordt vooral de banaliteit van deze levens zichtbaar. En de hypocrisie die onder het dunne beschavingsvernis schuilgaat. De personages beklagen zich over de voortschrijdende verloedering van de wereld zonder kennelijk te beseffen hoezeer die verloedering ook in hun eigen wereldje is binnengedrongen. Hier wordt in romanvorm verbeeld wat tegenwoordig steeds weer opdoemt uit sociologisch onderzoek: iedereen beklaagt zich over de alomtegenwoordige hufterigheid, maar de hufters zijn altijd de anderen.
Eigenlijk schetst Tsiolkas het démasqué van een verwende consumptiemaatschappij in een roman die voor het merendeel wordt bevolkt door personages die op het eerste gezicht weinig sympathie weten te wekken. Het knappe van Tsiolkas is dat hij zijn personages in hun hemd zet zonder zijn mededogen met hen te verliezen. Met zijn empatisch vermogen laat hij zien hoe hun gedrag te begrijpen is vanuit hun achtergrond en persoonlijkheid.
Hoe naar ze zich soms ook manifesteren, ze hebben zichzelf ook niet gebakken, lijkt de schrijver te willen zeggen. En: wie zijn wij om te oordelen? Wat weten we eigenlijk van elkaar? En zijn we zelf een haar beter? Zo weet Tsiolkas naast zijn niets verhullende rauwe realisme (doorspekt met de nodige seks, drank en drugs) ook een zachtmoediger register te bespelen.
Die zachtmoedigheid bereikt z'n hoogtepunt in het ontroerende portret van de oudere generatie Griekse immigranten die vol melancholie terugblikken op hun levens, de verwachtingen die ze er van hadden, de kansen die ze hebben laten liggen en de teleurstellingen die ze hebben ondervonden. Een van hen verzucht: 'Wat weten we nu eigenlijk van het leven van onze kinderen? Dat wat ze ons vertellen. Maar hoeveel vertellen ze ons?'