Met niets en vooral zichzelf niet ontziende eerlijkheid portretteert Anil Ramdas in de persoon van Harry Badal vooral zichzelf. Het is alleen te verklaren uit de neiging tot zelfdestructie die alcoholisten eigen is.
door John Jansen van Galen
Is dit een roman of een autobiografie? Het lijkt vooral het laatste. Alleen een lezer die niets van Anil Ramdas weet, kan ontgaan dat nagenoeg alle kenmerken van de hoofdpersoon in zijn boek ook die van de schrijver zijn: Harry Badal is een Surinaamse migrant van Hindostaanse afkomst, raakt in conflict met de overheid over zijn proefschrift inzake asielprocedures, wordt redacteur bij de Groene Amsterdammer ('het Weekblad') en de bijlage van NRC-Handelsblad ('het Bijvoegsel') en correspondent in India voor die krant.
Hij laat van zich horen in de affaire-Rushdie, presenteert een VPRO-televisieprogramma over media (Het Blauwe Licht), houdt in de Rode Hoed de Den Uyl-lezing waarin hij Nederland verantwoordelijk stelt voor het lot van het onafhankelijke Suriname en schrijft als essayist een aanklacht tegen de Nederlandse literatuur waarin de migrant zo schromelijk onzichtbaar blijft. Alleen Ramdas' kortstondige directeurschap van De Balie ontbreekt aan dit cv van Badal.
Diens personalia van Badal - zijn huwelijk met een Surinaamse, zijn kinderen - en zijn domiclies - een flat in Amsterdam-Zuidoost, een werkkamer bij het metrostation Wibautstraat, een woning in een dorp ten zuiden van de hoofdstad dat de schrijver 'Abcoude' noemt - kloppen weer met die van de schrijver.
Wat beweegt iemand een zelfportret in romanvorm te schrijven, en dan zo'n genadeloos portret?
Ramdas zet zijn hoofdpersoon neer als 'lui en arrogant' en als een opschepper die zichzelf 'een van de meest gelezen correspondenten' en 'in Nederland een soort beroemdheid' noemt. Hij is drankzuchtig, verwaarloost zijn gezin en imponeert iedereen om zich heen met een vertoon van encyclopedische eruditie dat ieder echt gesprek doodslaat. 'Jij wilt niet praten,' zegt zijn dochter. 'Je wilt colleges geven. En
daarmee iedereen duidelijk maken dat ze zoveel niet weten. Dat ze dus dom zijn.'
'Mensen die niet fatsoenlijk kunnen converseren zijn niet zo interessant', antwoordt Badal. 'Je veracht gewone mensen,' besluit zij. 'Je kijkt op ze neer.'
Badal is het verhaal van de ondergang van een jonge, briljante migrant, die in toenemende mate in een isolement raakt. Aanvankelijk oogst hij bijval als vertolker van de intellectuele stem van de Derde Wereld die als essayist ook het zelfverkozen slachtofferschap van migranten op de korrel neemt. Bolkestein nodigt hem zelfs op de thee!
Gaandeweg gaat hij ook de gevestigde blanke cultuur bekritiseren - zie dat artikel over de door romanciers genegeerde zwarte - en het hele boek door is hij bezig een essay te schrijven over white trash in Nederland, de Tokkies zeg maar. In zijn verslag van die poging spuit Ramdas zijn onvrede over en venijn jegens de aanhang van Wilders, en over 'laconieke intellectuelen' die menen dat het allemaal zo'n vaart niet zal lopen.
Maar dat essay komt nooit af en de schitterende carrière van Badal verpietert allengs. Zijn betrekking bij NRC-Handelsblad raakt hij kwijt. Hij probeert zich wijs te maken dat het komt doordat zijn opvattingen tegenwoordig minder recu zijn, maar Ramdas kan er niet omheen dat het door de drank komt. De samenleving sluit hem niet uit, hij sluit de samenleving uit. Hij vervreemdt van zijn gezin en waar hij in het begin voortdurend vrienden ontmoet zit hij op den duur tot diep in de nacht in een Koerdisch cafeetje te Abcoude alleen met ander menselijk drijfhout te drinken.
Ten slotte leeft hij in een cocon van eenzaamheid in een 'studiootje' te Zandvoort, dat door Ramdas geschilderd wordt als een rampzalig oord van afbladdering en armzalig vertier. Ook als romancier kan Ramdas het niet laten soms de essayist te spelen; dan worden zijn beschrijvingen en dialogen eerder erudiete uiteenzettingen van een kwestie. Zijn stijl is fraai en soepel, dat kun je hem wel toevertrouwen, met een rijke en rake woordkeus, vaak geestig, met mooie anekdotes (over Indiase militairen in Duitse dienst die in de oorlog op olifanten over het strand van Zandvoort exerceren en over een timmerman in New Delhi die voor Badal een authentieke kast zal timmeren en daartoe
een boek met voorbeelden opdiept dat dan de Ikea-catalogus blijkt te zijn).
Alleen ligt over alles de doem van een naderend einde, dat de lezer steeds al vermoedt en vreest.
Het is een geromantiseerde autobiografie, waarvan voornamelijk dat fatale slot verzonnen is. Met niets en vooral zichzelf niet ontziende eerlijkheid portretteert Ramdas in de persoon van Harry Badal vooral zijn eigen persoon. Mij rest de vraag wat hem bezielt om zo'n ontluisterend zelfbeeld te publiceren. Het is alleen te verklaren uit de neiging tot zelfdestructie die alcoholisten eigen is.