Bundel toont aan dat Mark Boog een van de beste dichters van zijn generatie is.
door Victor Schiferli
Waarom lezen mensen poëzie? Sommigen voor herkenning of troost. Anderen vinden dat poëzie onrust moet baren en niet zomaar 'mooi' mag zijn. En er zijn ook, eigenlijk al sinds eeuwen, dichters die de lezer met hun neus voortdurend op de vergankelijkheid willen drukken. Het is een oud thema, dat Lucebert ooit zo fraai verwoordde als 'het besef een broodkruimel te zijn op de rok van het universum'. De eigen sterfelijkheid mag een waarheid zijn die we liever uit de weg gaan, het kan indringende poëzie opleveren.
Een sterk relativeringsvermogen spreekt uit het werk van Mark Boog vanaf zijn debuut in 2000, de met de C. Buddingh'-prijs bekroonde bundel Alsof er iets gebeurt, waarin onder meer de regel: De zinloosheid staat als een kerk / om me heen.
Sindsdien schreef hij een aantal goed ontvangen dichtbundels, waaronder De encyclopedie van de grote woorden (waarvoor hij in 2006 de VSB Poëzieprijs kreeg) alsook een drietal romans - de laatste daarvan verscheen vorig jaar en heet Ik begrijp de moordenaar.
Boog is geen man van de onnavolgbare poëzie. Hij formuleert helder en precies; vaak ook virtuoos, maar niet op een opvallende of overdreven manier. Het vuurwerk zit bij hem niet in de keuze voor buitenissige woorden, maar in een subtiel spel van betekenissen en implicaties. Vaak ook klinkt hij afstandelijk, met een plechtige toon die iets absurdistisch heeft:
Elk begin is een vernietiging.
Elke perspectief op verre bergen, dalen,
doodt ze, legt ze vast in weliswaar bevallige
maar toch onhandige posities.
Het contrast tussen het bevallige en het onhandige, om dat onderscheid maar aan te houden, vind je vaker in zijn nieuwe bundel Er moet sprake zijn van een misverstand. Enerzijds de schoonheid, anderzijds de mislukking. Zo krijgt een ziek iemand ('Ik ben door en door verrot') een cadeau van een verre tante, hij veinst dankbaarheid zoals hij volgens anderen voor het leven dankbaar moet zijn, maar voor geen van beide kan hij het opbrengen: het is een voorrecht, / Een voorrecht zeg ik, om te leven. Wees / dankbaar, zeggen ze. De verjaardag, / De verre tante, het cadeau. Wees dankbaar.
Een beklemmend gedicht, waarbij gemakkelijk over het hoofd is te zien hoe knap het geschreven is: nergens worden emoties benoemd, alles is suggestie. Hoe het precies zit met de zieke en de verre tante blijft onuitgesproken. Het cadeau heeft hij al, en nu wil hij zich redden door te doen alsof dat niet zo is. Hij moet zich overgeven aan een situatie waarin hij aan alle kanten klem zit. Met een dergelijke gelatenheid accepteren de personages uit deze bundel hun lot. Een ritje met de tram in de regen doet de dichter denken aan gestapelde grafkelders onder de grond, iemand speelt in de tuin maar beseft zich dat zijn vreugde helemaal gespeeld is.
Vanwege de filosoferende, onderzoekende toon en de afstandelijke woordkeuze doet Boogs werk af en toe denken aan dat van Hans Faverey. Elk gedicht heeft een afronding die doorklinkt, en je doet terugkeren naar het begin van het gedicht. Dat maakt alles bij elkaar dat deze bundel een sterke is, en dat Mark Boog weer aantoont een van de beste dichters van zijn generatie te zijn. Een mooi voorbeeld van een gedicht dat tegelijk troost biedt en zonder illusies is, 'Kijk':
Hier, het leven. Bezie, ontken, omarm.
Doe wat je wil. Want het kan
niemand wat schelen, dat weet je. (Ik troost maar).
Dat het buiten sneeuwt, bijvoorbeeld. Maar alles smelt,
zelfs sneeuw, en er komt een ochtend
waarop ik niet meer aan je zal denken, dat beloof ik.
Deze poëzie lees je niet om gerustgesteld te worden. Wel om te weten te komen hoe we voor even kunnen samenvallen met de wereld, en hoe de wereld altijd het laatst lacht.