Iets meer dan honderd pagina's telt het verhaal, maar Djaout weet er een weelde aan beelden en ideeën in op te roepen.
door Jasper Henderson
Dit jaar lanceerde uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep De Berberbibliotheek: een reeks van tien klassieke romans uit o.a. Marokko, Algerije en Tunesi'. De reeks opende met de schelmenroman Leven en legende van Agoun-chic van de Marokkaanse auteur Mohammed Khaïr-Eddine, en kreeg onlangs een vervolg met De bottenzoekers van de Algerijn Tahar Djaout. Iets meer dan honderd pagina's telt het verhaal, maar Djaout weet er een weelde aan beelden en ideeën in op te roepen.
Het volksfeest na de onafhankelijkheid is afgelopen en dorpelingen in het hele land gaan op zoek naar de overblijfselen van hun in de oorlog gestorven familieleden om ze thuis opnieuw te begraven. De verteller van De bottenzoekers is een van hen; samen met een achteroom en een geleende ezel trekt hij het onherbergzame Kabyli' in om de botten van zijn broer terug te halen.
Vanaf de eerste pagina's neemt Djaout de tijd om de ongenaakbaarheid van het landschap en de genadeloze elementen te beschrijven: 'Soms is de warmte zo drukkend dat al het water uit mijn lichaam wordt geperst, terwijl de geluiden van een eindeloze middag allemaal tegelijk in mijn oren bonzen en mijn ogen zich overgeven aan een duizelingwekkende dans zonder nog te zien wat ze moeten zien.'
Bedwelmende zinnen, mooi vertaald.
Terwijl de jongen met zijn oudere familielid de barre omstandigheden trotseert, drijft hij steeds verder af van zijn vertrouwde dorp met haar tradities. Zijn ogen worden geopend voor zaken waar hij nooit eerder over nadacht. Zo is hij tijdens een van de rustpauzes getuige van een religieus feest, waarbij grote hoeveelheden eten voor de gelovige pelgrims worden bereid. Djaout laat feilloos zien hoe dicht het goddelijke en het aardse bij elkaar liggen: 'Uit hun kelen klonk louter gegrom en gekreun terwijl ze zich een weg baanden door de bergen couscous en vlees. Het zweet liep in straaltjes over hun voorhoofd in hun ogen. Af en toe stopten ze even om hun vette handen af te vegen aan hun
boernoesen, die toch al vol smerigheid zaten.'
Op meer plaatsen in de roman richt de schrijver zijn peilen op de letterlijke schijnheiligheid van zijn onafhankelijke landgenoten. Tijdens een ontmoeting met een oudere man in de stad merkt de jongen op dat hij geen gebedssnoer draagt 'en dus niet meedoet aan de religieuze exhibitiedrift die de streek is binnengewaaid met de recente wind van schijndevotie'. Dergelijke constateringen zullen Djaout duur komen te staan: nog geen tien jaar na verschijnen van De bottenzoekers zal hij voor zijn huis worden doodgeschoten door islamitische fundamentalisten van het FIS.
In scherp contrast met de toenemende devotie is de jongen tegelijkertijd getuige van de geboorte van een nieuw tijdperk. Wanneer ze hun doel dicht genaderd zijn overnacht hij voor het eerst van zijn leven in de grote stad. Hij ziet er verzorgd geklede mensen, drinkt echte limonade op een terras in de schaduw en hoort er spreken over wonderlijke kastjes waar beeld en geluid uit komt. Ook zijn dorp had reeds kennisgemaakt met de verleidingen van de filmprojector. Vanaf dat moment waren de verhoudingen en omgangsvormen in het dorp voorgoed veranderd.
Het dorp versus de stad, traditie versus vernieuwing: het zijn de klassieke tegenstellingen die een grote rol spelen in deze roman. Maar tegelijkertijd lijkt Djaout zich af te vragen of die tegenstellingen er wel zijn, of er wel sprake is van 'vooruitgang'. Want tegelijk met de intrede van de moderne tijd wordt er teruggegrepen naar de onwrikbare overtuigingen van dat wat geschreven staat, en worden zij die verder de wereld in trokken naar een bredere horizon met alle geweld weer teruggehaald naar de oude grond, dood of levend.
Ergens in De bottenzoekers zegt Djaout dat de mannen in het dorp het op hun 35ste voor gezien houden, voorgoed hun dromen opbergen en zich neerleggen bij een kabbelend, betekenisloos leven. Als de jongen samen met de botten van zijn broer het dorp binnenrijdt, weet hij dat het nu tijd is om zijn eigen strijd te voeren.