Geschiedenis Indische Nederlanders literair verwoord door Eveline Stoel.
door John Jansen van Galen
De geschiedenis van de Indische Nederlanders, lang voor kennisgeving aangenomen, is in de laatste jaren grondig beschreven, deels met geld van de overheid in het kader van 'Het Gebaar': Hans Meijer schreef In Indië geworteld, Wim Willems De uittocht uit Indië, Lizzy van Leeuwen Ons Indisch erfgoed. Met Asta's ogen wordt die geschiedenis nu ook literair verwoord.
Natuurlijk zijn er al veel langer romans en verhalen geschreven over leven en lot van de Indo's, maar altijd van binnenuit, door schrijvers uit de groep zelf: Tjalie Robinson alias Vincent Mahieu, Lin Scholte, Paula Gomes en natuurlijk Marion Bloem.
Eveline Stoel is weliswaar getrouwd met een kleinzoon van haar hoofdpersoon Asta Hoyer, maar ze stelt zich nadrukkelijk als waarneemster van buitenaf op. Nergens stelt ze het voor alsof ze op zoek is naar haar roots (wel die van haar kinderen), wat zulke familiegeschiedenissen vaak iets overdramatisch geeft. Haar toon is nuchter, en ze houdt de vaart er in: 320 pagina's zijn amper genoeg om het leven van Asta na te vertellen, dat Stoel op voorbeeldige wijze heeft weten te reconstrueren, met veel aandacht voor de details die een dergelijke kroniek kleur geven. Asta's ogen is een documentaire roman.
De Indische Nederlanders of Indo's zijn er het levende bewijs van dat de scheidsmuur tussen blank en bruin in de kolonie althans seksueel bepaald poreus was: er ontstond door de eeuwen heen een grote gemengde bevolkingsgroep, die sociaal een weg moest zien te vinden tussen inheemsen en volbloed Europeanen in. Hoe moeilijk dat ook was, de eerste zeventig pagina's laten zich lezen als de idylle van een jeugd en adolescentie in de tropen. Dan vallen in 1942 de Japanners binnen en wordt het een verhaal van overleven. Terwijl het voor Indo's altijd verkieslijk was zo 'blank' mogelijk te zijn, verdient het onder het nieuwe Aziatische bewind ineens de voorkeur zich zo 'bruin' mogelijk voor te doen. Met kameleontische kwaliteiten weet men zich moeizaam te handhaven.
De jaren van bezetting, bevrijdingsstrijd en bersiap zijn gruwelijk. Asta en de haren blijven buiten de Jappenkampen, maar in steeds schameler en benarder omstandigheden, vooral als in 1945 de terreur losbarst van jonge, door de Japanners gemilitariseerde en bewapende heethoofden - een periode waarvoor in Nederland weinig aandacht is besteed, maar die door Stoel indringend in beeld wordt gebracht. En ook na de soevereiniteitsoverdracht zijn de Indo's, verdacht als handlangers van het koloniale regime, hun leven lang niet zeker wat bewezen wordt door de koelbloedige moord op Asta's man - of was dat een crime passionel? Daarna slaagt ze er in met haar moeder en zeven
kinderen in 1955 te ontkomen naar Nederland, zoals 300.000 van haar lotgenoten deden.
Ze belanden in een naargeestig 'contractpension' te Oss, vastbesloten om in het vreemde 'moederland' te 'integreren' zoals we dat nu noemen. Ze moeten helemaal van voren af aan beginnen, maar klagen is uit den boze. 'Aanpassen, niet omkijken', luidt Asta's devies. Haar kinderen moeten zo Hollands mogelijk zijn en doen, Maleis praten verbiedt ze en over het Indisch verleden wil ze niet horen.
Bewonderenswaardig is de kracht waarmee ze zich herneemt, om haar kinderen een nieuwe toekomst te geven in een kil land. Wat begon als neergang en bijna ondergang, wordt het verhaal van een geslaagde emancipatie.
Het duurt lang eer het Indische verleden onder het oog gezien wordt. Een zoon reist naar Indonesië en ervaart het als een bevrijding, culturele invloeden sijpelen door via de Indorock, een dochter herkent zich in Marion Bloem. Asta moet er niets van hebben totdat ze op het laatst van haar leven weer iets van Nederlands-Indië tot zich toelaat en naar de Pasar Malam gaat, één keertje. "Zo zonde, zo mooi,” verzucht ze als ze de Houtrusthal verlaat.
Een prachtig boek. Je legt het maar moeilijk weg. Hier en daar had het iets beter geschreven kunnen zijn, maar allá: vijf sterren!