Bernlef is al met al een nuchtere verteller. Tot op zekere hoogte werkt dat.
door Arie Storm
In de week nadat Gerrit Komrij is overleden, mag ik het nieuwe boek van de inmiddels 75-jarige Bernlef (pseudoniem van Hendrik Jan
Marsman) bespreken. Het is een verhalenbundel en de titel is Help me herinneren.
Komrij maakte vaak grappen over Bernlef. In het boek De buitenkant (1995) zijn enkele interview-uitspraken van hem over Bernlef
opgenomen. Bijvoorbeeld deze: 'J. Bernlef is een running gag. Als ik die naam noem, schiet ik meteen in de lach. Nee, nooit iets van die jongen gelezen. 't Schijnt een hele beroemdheid te zijn geworden sinds hij de zieke medemens heeft ontdekt.'
De aversie van Komrij schijnt te zijn voortgekomen uit de eerste recensie die een poëziebundel van hem ontving. Dat was een negatieve, geschreven door J. Bernlef (hij heet nu alleen nog Bernlef). Zo gaan die dingen dus, maar er zijn wel degelijk ook meer inhoudelijke redenen aan te voeren; de twee schrijvers verschillen nogal wat van elkaar. Waar Komrij een hekel had aan authenticiteit, of een beroep daarop, en het rechtstreekse verwijzen naar de werkelijkheid hij had een voorkeur voor de omweg , daar probeerde en probeert Bernlef veel rechtstreekser op zijn doel af te gaan. Eerlijkheid, de betrouwbaarheid van het geheugen en de 'binnenkant' van mensen zijn belangrijke thema's van Bernlef.
Bernlef debuteerde in 1960 als dichter met de bundel Kokkels. In hetzelfde jaar verscheen zijn prozadebuut: Stenen spoelen. In Help me herinneren is het curieuze verhaal Na mijn begrafenis opgenomen. Ene Henk houdt een begrafenisrede voor zijn overleden vriend Henk: 'Ik leerde Henk in 1960 kennen, op het moment dat hij zijn eerste dichtbundel, Kokkels, publiceerde.'
Het lijkt er, kortom, op dat Bernlef hier een voorschot neemt op wat straks bij zijn graf gezegd of in herdenkingsartikelen geschreven zou kunnen worden. Zie ook deze zinnen: 'Na het enorme succes van zijn roman over de ziekte van Alzheimer ontwikkelde hij een obsessieve fascinatie voor het fenomeen van de herinnering. Hij las ieder boek over het menselijk brein dat hij te pakken kon krijgen.'
Bijzonder grappig is dit niet (nu ja, een beetje), maar de poging tot humor kunnen we beter toch wel waarderen, want verder valt er niet zoveel te lachen bij Bernlef. Uiteindelijk gaat het in deze bundel op een nogal serieuze manier in elk verhaal over (de onbetrouwbaarheid van) herinneringen. Tweelingzussen van nu zeventig hebben een totaal afwijkende visie op wat er in hun jeugd is
gebeurd; een man kan na twintig jaar niet meer goed het uiterlijk oproepen van het mooiste meisje van zijn middelbare school; een andere man probeert zich de winkels te herinneren uit de buurt van zijn jeugd.
Tot op zekere hoogte lukt dat laatste: de Turkse bakkerij verandert in de slagerswinkel van vroeger: 'Plotseling hielden [de gebakjes] op te glanzen, trokken donker weg alsof ze vol bloed liepen. Werd het mij rood voor ogen of zag ik een transformatie van gebak naar tartaar, veranderden de ronde broden daardoor in de gebogen worsten die achter slager Van der Meulen op een rijtje aan haken in de tegelwand hingen?'
Op zichzelf is dit aanstekelijk gedaan. Spijtig is dat Bernlef uitleg verschaft. Dat doet hij door die expliciete vraag te stellen. En een zin
later legt hij het allemaal helemaal uit: 'De besnorde Turkse bakker achter zijn toonbank stond roerloos, als verstijfd, alsof ook hij deel uitmaakte van die transformatie waarvoor alleen mijn innerlijk oog verantwoordelijk was.'
Ik val over de laatste zeven woorden, die elk mysterie de kop indrukken ja, we zullen eens op het idee komen dat daar echt een
transformatie plaatsvindt!
Bernlef is al met al een nuchtere verteller. Tot op zekere hoogte werkt dat. En de werkelijkheid biedt inderdaad genoeg raadselachtigs. Maar in plaats van dat hij die raadselachtigheid vergroot, verkleint Bernlef haar (hoewel hij soms op rare anachronismen is te betrappen, maar dat zal niet bewust zijn gedaan). Dat neemt overigens niet weg dat er enkele sterk opgeschreven herinneringen in deze bundel staan.