René Huigen: Woudman. 'Als melk in een ontzagwekkende kom bewogen de wolken in het dal traag tegen de randen van de hellingen op, alsof iemand van hogerhand het bewonderde uitzicht naar prevelende lippen wilde brengen.'
door Arie Storm
René Huigen (1962) werkt gestaag door. Hij debuteerde in 1988, was als dichter een Maximaal, hij bleef met regelmaat ook proza schrijven, zijn dichtbundel Geen muziek & geen mysterie (2003) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, en nu is zeer onlangs een historische roman van zijn hand verschenen, met de beknopte titel Woudman.
Woudman speelt in een complexe periode van onze geschiedenis en dan ook nog eens in een enigszins obscure uithoek. Het is 1798 en we verplaatsen ons naar ergens 'in het Hertogenwoud, nabij Goé, een gehucht ongeveer dertig kilometer ten oosten van Luik, in het dal van Gileppe en Vestre, twee alleraardigste riviertjes voor wie van pootjebaden houdt' - maar van pootjebaden zal het in deze roman niet komen. Daarvoor zijn alle personages veel te druk in de weer met van alles en nog wat, waarbij ze elkaar lelijk voor de voeten komen te lopen, en ze gezamenlijk deel blijken uit te maken van een verhaal dat gaandeweg kluchtige en soapachtige trekken krijgt.
Eén van de personages mag bijna tegen het einde de balans opmaken: 'Achteraf, nu het er niet meer toe deed en hij zijn gedachten vrijelijk en wellicht wat al te overmoedig over de afgelopen gebeurtenissen kon laten gaan, betreurde hij het dat er als een klinkend slotakkoord toch niet wat meer slachtoffers waren gevallen, als onweerlegbaar bewijs van de absurditeit vanÉ van ja, hoe moest hij het zeggenÉ van al dat gemodder.'
De aandacht wordt aanvankelijk gericht op 'een wonderlijke bosbewoner', zoals hij in de flaptekst wordt omschreven, Woudman genoemd, en dat wordt gedaan door een verteller die regelmatig naar de juiste woorden zoekt, net zoals het personage dat deed wiens gedachten we zojuist al lazen. Dat levert lange, zichzelf tegensprekende en dan weer herpakkende zinnen op als de volgende: 'Met zekere minachting, of nee, het was geen minachting, eerder een soort onverschilligheid, of nee, ook geen onverschilligheid was het, in ieder geval: met een houding waaruit enig ongenoegen sprak, keek hij nadenkend,' nu ja, enzovoort. Dat schiet misschien niet op, maar het tempo komt er uiteindelijk toch wel in door de curieuze wijze waarop de verschillende personages elkaar al dan niet meer dood dan levend tegen het lijf lopen en de moedwil en het misverstand die aan die ontmoetingen ten grondslag liggen.
Het voert te ver om het verhaal hier samen te vatten. Een aanstaand huwelijk speelt een rol, een moord uitgevoerd door struikrovers, een lijk dat op de wagen van Woudman belandt, halfslachtige represaillemaatregelen van de (min of meer Franse) overheid. Daarbij wordt per hoofdstuk, en zelfs binnen de hoofdstukken zelf, gewisseld van perspectief; dan weer krijgen we met de visie van het ene personage te maken, dan weer met de kijk op de zaak van een ander personage. Echt verwarrend wordt dat trouwens nooit, door de duidelijke en soms dus ook aarzelende wijze van vertellen. Geestig is het eigenlijk wel, al vraag je je regelmatig af waar het uiteindelijk allemaal op af zal gaan.
Sterk aan het boek is het decor ervan. Huigen houdt dat overzichtelijk: een bos, een dorpsplein, een kerk, een kasteel. Daarbij gebruikt hij soms fraaie beelden, zoals bijvoorbeeld wanneer er over een vlakte wordt uitgekeken: 'Als melk in een ontzagwekkende kom bewogen de wolken in het dal traag tegen de randen van de hellingen op, alsof iemand van hogerhand het bewonderde uitzicht naar prevelende lippen wilde brengen.'
De roman wordt afgerond door een glossarium, waar bijvoorbeeld wordt uitgelegd dat het begrip terroristen nog niet bestond in 1798. 'De auteur permitteert zich hier een anachronisme om een verband met het heden te leggen,' wordt daar toegelicht. Dat is gelukkig voor zover ik heb gemerkt het enige verband met het heden dat wordt gelegd, want hoewel ook door de flaptekst wordt gesteld dat deze roman terloops commentaar levert op onze tijd, laat Huigen het verleden op komische wijze het verleden zelf zijn, zoals dat hoort.