De Nederlandse literatuur wordt over de breedte steeds kinderachtiger, dus is het helemaal niet zo'n gek idee deze roman op de markt voor volwassenen aan te bieden.
door Arie Storm
De lelijkste openingszin aller tijden van een Nederlandse roman blijft die van Anna Enquist in haar roman Het geheim (1997): 'De vleugel hing in de lucht en tekende zich als een geblakerde karbonade af tegen de besneeuwde bergtoppen.'
De poëzie van deze vergelijking zit in de creatieve gedachte dat geblakerde karbonades de neiging hebben zich tegen besneeuwde bergtoppen af te tekenen.
Karin Amatmoekrim doet in haar zojuist verschenen roman Het gym een bijna geslaagde poging hier overheen te komen met de volgende eerste zin: 'De zomer hing als een muffe vaatdoek tussen de flats van de wijk.'
Hoe langer je erover nadenkt, des te onbegrijpelijker wordt het. Maar het maffe contrast in de zin van Enquist - geblakerde karbonades
tegenover besneeuwde bergtoppen - maakt die zin toch erger.
Muf is de wereld die Amatmoekrim beschrijft zeker, dus wat dat betreft zit ze met die vaatdoek wel goed. En gelukkig verdwijnt de poëzie al snel uit deze roman. Ervoor in de plaats komt de toon van het jeugdboek, want dat is wat Het gym au fond is: een jeugdboek, geschikt voor lezers van twaalf tot vijftien jaar. Maar de Nederlandse literatuur wordt over de breedte steeds kinderachtiger, dus is het helemaal niet zo'n gek idee deze roman op de markt voor volwassenen aan te bieden, moet de uitgever hebben gedacht. En gelijk heeft hij.
In Het gym wordt beschreven hoe het meisje Sandra het al of niet redt in de eerste klas van het gymnasium. Sandra heeft Surinaamse wortels en woont ergens in Nederland aan de kust in een achterstandswijk in een kleine en armoedige woning in een flat met haar moeder en haar jongere zusje (dat zusje speelt geen enkele rol in het boek; ze is er gewoon).
Het gymnasium is in een kakbuurt gevestigd. Sandra is de enige uit haar wijk die naar die school gaat.
Sandra heeft het al gauw moeilijk met de verhalen die ze haar klasgenoten hoort vertellen: 'Drie keer per jaar op vakantie, dacht Sandra. Toe maar. Ze probeerde er onaangedaan naar te luisteren, terwijl ze bedacht dat de laatste keer dat zíj op vakantie ging, twee jaar terug was. Een midweek naar Valkenburg, betaald door de sociale dienst.'
Typerend voor dit soort kinderboeken is de uitgebreidheid van de beschrijvingen: elke stap wordt beschreven en elke gedachte wordt volledig uitgewerkt; iedereen moet het immers kunnen blijven volgen. De ironie ligt er vet op. Vooruitwijzingen verhogen de lol. De avond voorafgaand aan de eerste schooldag is Sandra met het volgende bezig: 'Ze streek met een hand over haar nieuwe trui. Haar boeken waren gekaft. Haar nieuwe kleren lagen klaar voor morgen. Ze was min of meer klaar voor de nieuwe school.'
Dat is drie keer nieuw, en dat maakt niet zo veel uit, maar het griezelen wordt wel erg benadrukt. De lezer ziet de bui hangen: dit meisje heeft de verkeerde nieuwe kleren voor de chique nieuwe school. En hier houdt Amatmoekrim niet op. Sandra besluit de ochtend erna toch maar een andere spijkerbroek aan te doen: 'Vijf minuten later bedacht ze zich, en verwisselde hem met de broek met de eenhoorn. Toen moest ze ook weer een andere trui aandoen, omdat de eerste er niet meer bij paste.'
Nu ja, enzovoort en zo verder, de grap wordt compleet uitgemolken (en de verhaalcontinuïteit klopt hier ook niet helemaal; maar enfin).
Er blijkt ook een racist bij haar in de klas te zitten. Hij woont niet bij de nette mensen in het dorp en ook niet bij het gajes in de achterstandswijk van Sandra; hij woont in de stad. Hij begint Sandra al snel te pesten. Hoe zal Sandra zich teweerstellen? Deze jongen geniet ook nog eens een zekere populariteit, omdat hij volgens sommigen een frisse kijk op de maatschappij heeft en durft te zeggen wat anderen slechts denken. Sandra overwint. Ze redt het op het gym. Dat is een fijne gedachte.