De roman ligt in de etalage tegenover het restaurant waar de schrijver zijn koffie drinkt. De handgeschreven aanbeveling naast het boek zegt: 'Angstaanjagend goed'. Mooi samengevat. Toch biedt het boek 'De lach en de dood' ook troost.
door Hans Visser
foto: GPD/Bert Nienhuis
In zijn boek vertelt Webeling het opmerkelijke verhaal van Ernst Hofman, een fictieve Joodse komiek die tijdens de Tweede Wereldoorlog op transport naar een Duits vernietigingskamp wordt gestuurd en daar overleeft, dankzij de humor. De vergelijking met de Italiaanse film 'La Vita è bella' dringt zich op. „Die film vertelt een bitterzoet sprookje,' zegt hij. 'Mijn boek gaat over de rauwe werkelijkheid.”
Het boek ontstond uit een fascinatie voor humor en overlevingsdrang. „Ik bedacht: als je met humor wilt overleven, zou de personificatie daarvan een Joodse komiek in de Tweede Wereldoorlog moeten zijn. Daarbij was ik geboeid door vragen over het dagelijks bestaan in een concentratiekamp. Hoe leefden de gevangenen daar? Hoe laat stonden ze op? Wat dreef er in hun koolsoep? Hoe lagen de machtsverhoudingen onderling? Ik ben dat gaan onderzoeken.”
Zo ontstond de halfjoodse Ernst Hofman, die in een niet met name genoemd vernietigingskamp terechtkomt. „Ik noem geen naam, want dan zullen er altijd mensen zijn die je op het beschrijven van allerlei onderdelen bekritiseren. Ik ben geen geschiedschrijver. Het gaat me om het idee.”
„Natuurlijk heb ik me afgevraagd of een boek over humor en de Holocaust wenselijk zou zijn. Het is een kwestie van durven. Al moet je bij het reconstrueren van de waarheid ook nederig zijn. Ik heb er over gesproken met mensen die de kampen hebben meegemaakt. Louis de Wijze heeft Auschwitz overleefd. Hij zei: 'Zonder humor in het kamp, zit hier nu een lijk'.
Robert Cohen, ook een Auschwitz-overlevende, benadrukte dat er niet 24 uur per dag een grafstemming heerste in de barakken. Al had je daar natuurlijk wel mensen die de moed zichtbaar hadden opgegeven. Ik begreep uit die persoonlijke verhalen dat het belangrijk was geestelijk gezond te blijven. Kijk, als je lacht denk je even niet na. Lachen is dan het begin van het vergeten. Hardop lachen is ook een kwestie van ademen. Het geeft je extra zuurstof. Dus: kracht.”
KAMPORKEST
„Het cabaret in het Nederlandse doorgangskamp Westerbork was beroemd. Zelf beschrijf ik hoe Ernst in zijn barak elke dag een komisch kwartiertje verzorgt. Ook in werkelijkheid is er toen in de barakken opgetreden. Niet zo nadrukkelijk als in mijn boek, maar er kwamen zeker mensen bij elkaar om grappen te maken. Ook het kamporkest dat ik beschrijf is niet verzonnen. Auschwitz had er zelfs meerdere. Tijdens een executie spelen Joodse muzikanten op bevel van de commandant muziek uit de opera 'La Traviata'. Ook dat is authentiek: Lex van Weren speelde trompet in zo'n orkest en heeft dat in zijn memoires beschreven.”
Ernst bouwt in het kamp een reputatie op als komiek. Dat brengt de commandant ertoe hem te laten optreden voor de SS: 'Wir arbeiten hart, aber wir lachen gern.'
„Die kampcommandant in mijn boek is een cultuurliefhebber. Hij houdt van cabaret. Zijn duivelse positie en zijn belangstelling voor kunst sluiten elkaar niet uit. Natuurlijk kan zo'n man, ondanks al zijn wreedheid, zich binden aan intelligentie en schoonheid. In mijn boek redt hij zelfs een kind. Nazi's waren in de regel schoften, maar ook mensen. Dat moeten we wel beseffen. Alleen maar goed en kwaad bestaat niet. Zelfs Ernst Hofman ontkomt niet aan het kwade.”
Bij de beschrijving van het kampleven wordt de lezer weinig bespaard. Vooral in het begin. „Als lezer leer je het kamp kennen door de ogen van Ernst Hofman. Hij beleeft de geschiedenis aan den lijve, voor hem is alles nieuw en heftig. Later in het verhaal heeft hij meer privileges en is het dagelijkse leed minder nadrukkelijk aanwezig.”
Toch komt ook de hel zelf in beeld: de gaskamers en de verbrandingsovens. „De werkelijkheid van het Sonderkommando, van de joodse gevangenen die daar gedwongen werkten, was gruwelijk. Soms te gruwelijk. Die beelden wil ik mijn lezer niet aandoen. Ik heb het leed daarom enigszins gefilterd.”
Webeling doet dat bijvoorbeeld door te vertellen hoe Hofman de laatste uren meemaakt van een Hongaarse danseres en haar vervolgens een waardig einde schenkt. Troost voor de lezer? Hij knikt. „Ik wilde daar vooral een moment van verzachting creëren.”
WEEFFOUT
Humor werkt na zulke scènes relativerend. „Mensen hebben humor, dat onderscheidt ons van de dieren. Het maakt dat je er niet aan onderdoor gaat. Kijk, wij leven in het besef te zullen sterven. Dat is verschrikkelijk, daar hadden we ons nooit bewust van mogen zijn, dat is een weeffout van de evolutie. Je zou daarom kunnen zeggen: humor is een goedmakertje van God.”
De personages die Hofman ontmoet hebben soms een symboolfunctie. „Schlomo, het hoofd van zijn barak dat hem in bescherming neemt, is het geweten van de mens. De clown Grosso is de verpersoonlijking van de onschuld. Als je Ernst ziet als een soort Chaplin, of als de wijze Witte Clown, dan is Grosso de domme August. Omdat Grosso naïef en onwetend is, kent hij geen angst. Dat maakt hem onaantastbaar. Hij ontstijgt zijn omgeving. Bij het schrijven over Grosso dacht ik aan een clown die ik ooit heb zien optreden in het Wereld Kerstcircus in Carré. Zo'n clown van wie ik het me kan voorstellen dat hij tijdens een optreden afstapt op SS-leider Himmler, zoals in mijn boek gebeurt. Die nazi heeft daar dan geen antwoord op omdat zo'n clown zo duidelijk los van de wereld staat. Dat is de macht van de artiest. Maar vooral: de macht van de humor. Zo verliezen die SS'ers hun gezicht. Van dat mechanisme moet mijn boek het hebben.”
Webeling kan niet ontkennen dat hij zelf aanvankelijk wel eens moeite had met de grappen die hij Hofman in dat kamp laat maken. „Ik heb daarover gesproken met Youp van 't Hek. Ik vroeg hem: hoe zou jij een cabaretvoorstelling voor een zaal SS'ers beginnen? Het antwoord van Youp was van een superieure ironie. 'Fijn dat u er bent'. Youp heeft overigens nauwelijks aan het verhaal gesleuteld. Hij las het manuscript en gaf me zijn zegen.”