Tweede gedichtenbundel, na zes jaar, ademt andere sfeer en thematiek.
door Dieuwertje Mertens
Wat kan in zes jaar een boel gebeuren in een dichtersleven. De jeugdige bravoure en levenslust in Focus (2006), het debuut van Bernard Wesseling (1978), maken in zijn tweede bundel Naar de daken plaats voor de dood en (gedeeltelijk daaruit voortvloeiend)
een zoektocht naar zingeving.
Naar de daken is een treffende titel, naar het krachtige openingsgedicht. Het verbeeldt de zoektocht naar het hogere. Vanaf de daken
kijk je op het leven beneden neer. Wesseling dicht: Soms waan ik me onderwerp van twist tussen deze of gene listige goden./ Mijn onbegrip een ode aan hun almacht,/ als ik dat eens durf te geloven.
Zodra een mens oog in oog komt te staan met de dood, ontbreekt het hem aan een handleiding. Als je wel eens aan een sterfbed hebt gezeten, herken je het grote ongemak. Want hoe gedraag je je in godsnaam die laatste dagen, uren, minuten? En wat is een
gepaste manier om het leven te verlaten? Wesseling stelde voor zowel toeschouwer als sterfgeval een gedragscode op, met een knipoog. Etiquette voor een stervende:
Allereerst is het goed om te beseffen dat je de dood
momenteel gezicht geeft.
Mocht je nog tot praten in staat zijn, zie dan af
van spreekwoordelijke gezegdes. (...) Bij twijfel mompel je, dit combineert ook prima/ met respiratieapparatuur. (...) Voel je je onverwacht avontuurlijk? Lach eens hardop.
Maar kijk uit voor de kakel. Neem een ruim getal
als je voelt dat je moet aftellen, je hoeft niet uit te komen.
Maar ook een toekomstige nabestaande dient zich aan bepaalde gedragsregels te houden:
Voor de moderne versnipperde mens is het een hele ervaring
te zijn overgeleverd aan de onnutte tijd.
Je zult met de klok willen rommelen
Of de stervende zelf opschieten. (...)
Berust liever in het feit dat de Grote Gelijktrekker je in zijn achterhoofd heeft.
In iedere deling rekent hij je mee.
De toon is die van een (vergeef me het woord) ervaringsdeskundige met het nodige verdriet die tegelijkertijd de behoefte voelt om het nuchter te houden, praktisch misschien wel. Alhoewel 'dat nuchtere' toch vooral een houding is. Dat blijkt ook wel uit de zoektocht in de bundel. De protagonist dwaalt langs allerhande andere dwalende figuren, zoals Jehova's, waarzeggers, zigeuners, piraten. Hoe geef je de dood een plek en wat is de zin van het leven? Het antwoord staat hem niet altijd aan. Kijk maar naar het gedicht Geen nieuws is goed nieuws:
Op de kermis trek ik mijn handen van de waarzegster af -
een vuile Roma. Ze heeft gezegd
dat het einde zal komen, maar niet op mijn voorspraak.
Ook de zin van poëzie, het bestaansrecht van de dichter, wordt op sarcastische wijze onderuit geschoffeld, een verkapte poëtica:
Ook raak ik in gesprek met Maud van het cabaret
dat mij te lichtzinnig was, en verklap haar
dat poëzie nergens goed voor is, nee -
maar wel allemaal
iets tofs voor op je grafsteen.
De zoektocht van de protagonist had makkelijk kunnen uitmonden in pathetisch geleuter of zweverigheid. Dit is echter niet het geval.
Wesseling ondergaat de zoektocht niet, maar neemt het voortouw. Hij bevecht een mogelijke hang naar emo-poëzie op krachtige wijze. Zijn taalgebruik is soms wat ouwelijk, opmerkelijk voor zo'n jonge dichter. Hij is bijzonder welbespraakt en beschikt over een geraffineerd gevoel voor humor. En als ik een suggestie mag doen voor een tekst op een grafsteen, Wesselings poëtica lijkt mij een hele mooie.