TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen

TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen | 'Ik heb nog heel wat af te maken'

'Ik heb nog heel wat af te maken'  

door Maarten Moll

„Nee, Tonio zou niet gewild hebben dat wij met hem kapot zouden gaan. Hij moedigde me met zijn verdwijning juist aan dat boek over hem te schrijven. Vóór hem eerder. Hij maakte dat ik hem, met alle beschikbare taal, bij ons probeerde te houden in plaats van dat hij ons mee de diepte en het niets in trok. Door me uit te dagen dat boek te schrijven heeft Tonio me gered. Na zijn begrafenis zag ik me voor de keuze gesteld: nu meteen, vanuit de gekmakende gevoelsverwarring, over hem schrijven, of over vijf jaar pas, vanuit een bezonkener gemoedstoestand, meer in retrospectief. De keuze bleek geen keuze: ik was al bezig. Ik kon niet anders."

Zo pakte A.F.Th. van der Heijden het leven weer op. Hij sloot zich op en schreef. En nog steeds heeft hij zichzelf een soort huisarrest opgelegd. En blijft hij schrijven. Hij is bereid aan de telefoon te komen en hij beantwoordt schriftelijk de vragen die hem gesteld worden.
Op de vraag hoe het nu met hem gaat, zegt Van der Heijden: „Zo goed als het iemand die het slecht gaat maar gaan kan. Ik kom nog steeds nergens en ontvang vrijwel niemand aan huis. Een heel enkele keer, bij mooi weer, rijden we naar het Amsterdamse Bos, waar we dan op het terras van de geitenboerderij een broodje eten en de oude tijden gedenken, toen Tonio daar nog de varkentjes over hun snuit aaide."
„Ik waag me niet op straat, laat staan in een café of restaurant. Ik zie op tegen elke toevallige ontmoeting. Mensen hebben zich er bij het lezen van Tonio over verbaasd dat ik zoveel schaamte toon over wat er gebeurd is, dat ik Tonio's dood niet heb kunnen tegenhouden. Die schaamte is er nog steeds en heeft zich hooguit verlegd naar het blote feit dat hij er niet meer is. Ik schaam me kapot tegenover de
wereld dat ik geen zoon meer heb, geen vader meer ben. Dat ik gefaald heb. Ik schaam me voor mijn nederlaag."

Hij geeft zichzelf nog driekwart jaar, dan gaat hij naar buiten. Schaamte of geen schaamte. „Liefst met een nieuw boek onder de arm. Ik garandeer niet dat het verlies daarmee geslonken is, maar ik kan niet de rest van mijn leven als een lichtschuwe heremiet achter de gesloten gordijnen doorbrengen."

Liefst met een nieuw boek onder de arm. Daar spreekt een soort gretigheid uit. Terwijl hij kort na het verschijnen van Tonio liet doorschemeren dat het gedaan was met het schrijven.
„In Tonio spreek ik nog de vrees uit dat het hierna gedaan zou zijn met het geschrijf, maar die bleek ongegrond. Helaas misschien, want nu zal ik misschien altijd twijfelen of ik hem niet tekort doe door de draad van de romanschrijverij weer op te pakken. Door terug te keren naar de ooit, in gelukkiger tijden, ingeslagen weg. Of het niet passender zou zijn geweest, uit solidariteit met Tonio, om voorgoed te zwijgen."

„Hoe dan ook, ik ben sinds afgelopen zomer weer met oude en nieuwe werkplannen in de weer. Ik sloeg na ruim een jaar het manuscript van een roman getiteld Kwaadschiks weer open, en vond een compleet scenario voor hoe dat boek zou kunnen worden ingepast in De tandeloze tijd. Nu ben ik met verschillende vervolgdelen voor die cyclus bezig."

„Het verhaal heeft een sprong in de tijd gemaakt en we volgen nu de hoofdpersonen Albert Egberts en Ernst Quispel, die twintig jaar ouder en twintig jaar cynischer zijn. Wat  de verwikkelingen niet per se minder prikkelend maakt."
„En wat Tonio betreft, ik kan altijd nog, over vijf jaar of zo, opnieuw over hem gaan schrijven, met meer afstand in de tijd. Als het zover komt, zal het in een geheel andere vorm gebeuren. Aforismen en prozagedichten, of een mengvorm daarvan. Laat ik eerst maar eens zien of mij de adem gegund is."

Ondanks de werkdrift is zijn instelling veranderd.
„Ik merk wel dat de houding waarin ik aan mijn werktafel zit, veranderd is. Grimmiger. Alsof ik een onberekenbare tegenstander het hoofd te bieden heb. Voor mijn manier van werken had ik ooit het woord 'dixiepline' geijkt. Discipline met de opgewektheid van dixieland. De discipline is er wel nog, maar lijkt te moeten worden bevochten op een onzichtbare vijand. Ik zet me elke ochtend schrap. De tijd zal leren of
door Tonio's dood, die een onuitwisbare cesuur in mijn leven zal blijven vormen, de visie en het wereldbeeld in mijn romans onomkeerbaar veranderd is."

VERDOVING
Op de vraag of het schrijven van fictie een vorm van verdringing is, een mogelijkheid om even niet te hoeven denken aan iemand die er niet meer is, antwoordt hij ferm.
„Verdringing… Je bedoelt een vorm van afleiding of verdoving? Onmogelijk. In zijn afwezigheid is Tonio er altijd. In mijn boek over hem gebruik ik de zelfbedachte term pantonionisme. Zoals voor de pantheïst de hele wereld van God doortrokken is, zo is voor de pantonionist die ik ben alles om me heen van Tonio doortrokken."

Van der Heijden vertelt hoe de negenjarige Tonio stickertjes op de vele sleutels van de vele archiefkasten in zijn werkkamer plakte om ze uit elkaar te houden. „Die stickertjes zitten nog steeds op alle sleutels en sloten in mijn werkkamer. Elke keer als ik een archieflade openschuif, springt via een rood labeltje Tonio op mijn netvlies. En als ik over mijn schrijfmachine gebogen zit, zie ik soms vanuit mijn ooghoek
die rode stippellijn van etiketjes langs de wand lopen. Hij is er altijd, in alles."

„Als ik het balkon van mijn werketage op stap om een hap frisse lucht te nemen, is daar de aluminium ladder die naar het dak voert. Daar is hij de laatste dag dat ik hem in leven zag met het meisje Jenny omhoog geklommen, om haar op het dak te fotograferen – met als decor het verre Rijksmuseum, in de schaduw waarvan hij een paar dagen later zou verongelukken."

„Zo kan ik doorgaan, want het pantonionisme is overal, soms gek- dan weer gelukkigmakend, en nog vaker een roetige rouwsluier over alles heen leggend. Ik wil maar zeggen: er valt veel te verdringen, maar niet de afwezige Tonio."

Het boek Tonio kende een unaniem lovende ontvangst. Kon hij daar nog plezier aan beleven?
„Aan iemand die mij per brief duidelijk maakte hoe diep de lectuur van Tonio haar geraakt had, schreef ik zoiets als: 'Het stemt mij trots, in de eerste plaats namens mijn zoon, dat u 'ons' boek zo betrokken gelezen heeft.' Trots namens Tonio – zo onderging ik de goede ontvangst van het naar hem genoemde boek. Maar de triomf die ik wel eens had gevoeld wanneer een nieuwe roman juichend werd
binnengehaald, nee, die ontbrak nu. Het had niets triomfaals. Hoe zou je ook maar een fractie van triomf kunnen ondergaan bij een boek dat je nooit had willen schrijven… dat nooit een aanleiding had mogen krijgen om geschreven te worden."

En dan volgde, als een soort toetje, ook de toekenning van de Constantijn Huygensprijs, een prestigieuze oeuvreprijs. „Ik ben zeer vereerd met deze oeuvreprijs, die ik noodgedwongen óók als een aanmoedigingsprijs beschouw, want inderdaad, ik heb nog heel wat af te maken. Ik heb na drieëndertig jaar publiceren, een complete Christusleeftijd, nog steeds de indruk dat ik nog maar net begonnen ben. Dat het
belangrijkste werk nog moet komen."

„Dat heeft niets met valse bescheidenheid of misplaatst optimisme te maken. Waarmee dan wel? 'Nog maar net begonnen'… misschien is het een noodzakelijke drogreden om tot je laatste snik aan de gang te blijven."

 
'Ik heb nog heel wat af te maken' van  Theo Hakkert
Gepubliceerd: 22-12-2011 , Laatst bijgewerkt: 22-12-2011