Jan Siebelink heeft zijn nieuwe roman opgedragen aan de heldin van zijn volgende. "Als ik nog met een boek bezig ben, zal God me niet laten gaan."
door Theo Hakkert
Schrijven met inzet van lijf en leden, laat dat maar aan Jan Siebelink (72) over. “Je wilt een boek schrijven dat de mensen de adem beneemt en dan gebeurt het jezelf.”
Kortademig werd hij. Er was iets met zijn longen. Halverwege de trap niet meer verder kunnen, dat werk. “En ik ben al astmatisch van nature.” Foto’s laten maken. “Geen longkanker.” Twee prednisonkuren verder gaat het wel weer. Als de klachten inderdaad met de inspanning van het schrijven samenhangen, kan het ook alleen maar beter worden. Het werk is af namelijk, het boek ligt er. Het lichaam van Clara: de titel staat zeker ook symbool voor Siebelinks fysieke schrijven.
Wat de longarts ook nog zei: “Bij Knielen op een bed violen had ik dezelfde klachten, dat kon ze zien in het dossier. Het werkt onderhuids blijkbaar. Het komt, ik zit zo in dat boek. Hoe zal het gaan? Kan ik het nog? Het boek gaat over wezenlijke dingen. Sterven. Zelffoltering. Heftige thema’s. En je wordt ouder, sensitiever.”
De nieuwe roman van Jan Siebelink mag dan gaan over Clara Hofstede, als toegewijd volger van Gustave Flaubert zegt hij: “Clara, dat ben ik.”
Terwijl het verhaal eigenlijk, in 1996, begon met een vrouw die Vera heette.
“Ik liep op een dag met Frederic Bastet, de biograaf van Couperus, door Den Haag. We stonden bij het huis dat de ouders van Coupers in 1885 hebben laten bouwen. Daar heeft hij Eline Vere geschreven. Toen was hij twintig. Wat zou het leuk zijn om samen op de foto te gaan bij die mooie, gebeeldhouwde deur, maar er was geen mens in de straat te zien die ons kon fotograferen. Tot er een dame met twee hondjes de hoek om kwam. We spraken haar aan. Ze wist dat daar het huis van Couperus was, ze wilde wel een foto maken. We stelden ons voor. ‘En ik ben Vera’, zei ze.”
Ook toevallig. Siebelink had het omslag bij zich van de roman die hij net geschreven had. De titel was: Vera. Het boek is verschenen in 1997.
Een tijd later ging hij opnieuw naar Den Haag, alleen dit keer. “Doe ik vaker, dat soort dingen. Uit onrust. Ik kwam weer in de Surinamestraat in. Ik dacht: als ik die vrouw met de hondjes nu zou weer tegenkomen zou dat een goed teken zijn.”
Goede tekens, Jan Siebelink zoekt er zijn hele leven al naar. Vanochtend nog. Eerst vertelt hij over zijn jeugd. Hoe hij als jongetje van tien zijn fiets in de schuur zette en dan door het raampje keek om te zien of de fiets er nog wel stond. “Dan pakte ik hem weer. Ik liep ermee de keuken binnen. ‘Mama, is dit mijn fiets?’ vroeg ik dan. Gekke jongen, toch. Ik was uren uitputtend bezig om fiets in de schuur te krijgen. Dus de dwanghandelingen van Clara, die ken ik. Ik ben er overheen gegroeid.”
Hoewel, hij vertelt in één adem verder.
“Ik loop nu met de honden. Vanmorgen nog uiteraard, alleen niet zo hard, vanwege mijn benauwdheid. Ik liep langs struiken waar van die witte balletjes in hangen. In trosjes. Als jongetje liet ik ze zo tussen de vingers uit elkaar ploffen. Als ik daar langsloop, grijp ik zo’n trosje en dan moet ik een trosje hebben met zes witte balletjes. Niet vijf of zeven. Zes. Ik ben er vijf keer langs gelopen voordat ik ze had. Dat moet, want dat is een teken dat dit gesprek goed gaat. Of dat ik zes jaar ouder word.”
Hij heeft Clara opgezadeld met dit soort neuroses. Met teldwang ook. Zeven keer tikken op een tafelblad. Fervent bidden, nog zo’n voorbeeld. “Ik ben een verbeten bidder geweest. Bidden voor het slapengaan, met de handen op het bed. ‘Heere, wil me redden’. Dan had ik als opdracht aan mezelf dat het zuiver moest gebeuren. Ik mocht niet denken aan knikkeren, aan meisjes, aan school. Vele avonden kon ik niet in bed komen. Betrapte ik mezelf erop dat ik dat toch deed, dan moest ik opnieuw beginnen. Wel honderd keer. Die dingen zijn van mij. Daarom begrijp ik Clara ook zo goed.”
Die middag in de Surinamestraat in Den Haag wilde hij het goede teken afdwingen. Hij moest die vrouw met de twee hondjes vinden. Via de dierenkliniek op de hoek lukte hem dat. “Ik belde bij haar aan. Op tafel lagen boeken van Bastet en Siebelink. De ontmoeting had haar iets gedaan.”

Hij nodigde haar uit voor de presentatie van de roman Vera. Daar gebeurde wat een omslagpunt in de roman is geworden. Na de officiële toespraakjes trad Vera naar voren, nam plaats achter de microfoon en zei: ‘Dit is mijn boek, hier is mijn leven beschreven.’
“Ze smokkelde haar leven mijn boek in. Uiteindelijk is het heel heftig geworden tussen haar en mij. Ik heb het snel laten schieten. Ze heeft zich helemaal in zichzelf teruggetrokken. Ze heeft het boek beleefd. Je kunt zelfs zeggen dat ze aan het boek is overleden. Ik ben nog op de begrafenis geweest.” Behalve Vera en zichzelf heeft hij ook een Arnhemse vrouw in de figuur Clara verwerkt. Een in zichzelf gekeerde vrouw die hij vaak dwangmatig straat en stoep voor haar huis zag vegen. “Ik heb wel eens geprobeerd haar aan te spreken. Maar ze keek door me heen. Hoe kan iemand zo ver weg zijn, zo eenzaam?”
Vervolgens moet het bij hem gaan gisten, borrelen. “Het wachten is op beelden die me verder helpen. Het ene beeld gaat daarna in het andere over.”
Schrijven wordt dan: “Diep nadenken, goed in vorm zijn en het laten gaan.”Hij haalt W. F. Hermans aan. “Hij zei dat je als schrijver steeds moet blijven roeren in het verdriet diep in je. Dat probeer je te beschrijven. Zo kom je bij wat een schrijver werkelijk wil. En weet je wanneer het dan goed gaat? Als de schrijver niet meer precies weet wat zijn bedoelingen zijn. Als iets hem ontglipt. Waar het boek hem ontglipt, daar zit de waarheid van het boek. Ik zit hier dicht bij de waarheid van mij zelf en van Clara.”
Bij het afdwingen van goede tekens hoort ook de opdracht die hij voorin Het lichaam van Clara heeft opgenomen. ‘Opgedragen aan Elise, de heldin van mijn volgende roman’. “Ook daar zit zelffoltering in. Ik ben natuurlijk altijd bang dat dit het laatste boek is. Mijn angst is dat ik het niet nog eens kan volhouden. Terwijl ik nog een mooi idee voor een roman heb. Ik wil nog niet sterven. En als ik nog met een boek bezig ben, zal God me niet laten gaan. Dus als ik maar een nieuw boek aankondig… Het is een manier om het lot te bezweren. Maar ik moet toch een keer opbranden.”