Zijn jeugd in Amsterdam-Zuid blijft trekken. De gemankeerde mensen, eindeloze huizenblokken en zonovergoten brede lanen met de markante strijdbare beelden van Hildo Krop. In zijn nieuwste roman gaat de Zwolse schrijver Paul Gellings opnieuw terug.
door Marion Groenewoud
foto: Tom van Dijke
Hij zag ze lopen in de straten van zijn jeugd. De mensen met zenuwtics, trillende spiertjes in hun wang of schuddende hoofden. Personen 'vreemd gemaakt' door de oorlog. „Als mensen vissen waren, zou je kunnen zeggen dat ze een vin missen waardoor ze nu scheef zwemmen", zegt Paul Gellings.
De Zwolse schrijver, dichter en docent ging voor zijn nieuwste, sfeervolle roman De Zomer van Icarus terug naar Amsterdam-Zuid waar de Tweede Wereldoorlog zijn sporen diep heeft getrokken. Razzia's, verraad en onderduikadressen. Het woonhuis van Anne Frank aan het Merwedeplein.
Dit stadsdeel, waar Gellings werd geboren en opgroeide, komt hem nog steeds voor als een fascinerend labyrint. Spannend door de eindeloze rijen huizenblokken en de krachtige forse beelden van Hildo Krop. „In mijn kindertijd was er de angst voor de Russen. Mensen waren bang dat het weer zou gebeuren maar dan erger." Zijn ouders groeiden op in Rotterdam; zijn vader heeft voor hem de vluchtroute beschreven tijdens het bombardement van de havenstad. „Ze zaten als ratten in de val, concludeerde mijn opa en het gezin moest rennen naar een molen op het platteland."
Als driejarig kind hoorde Gellings zijn vader spreken over de Russen. „Ik verstond reuzen. Lang heb ik gedacht dat we overvallen zouden worden door giganten." De schrijver woont nu in een vriendelijke Zwolse wijk met vrouw en kinderen. Hij nadert gestaag de zestig en is in evenwicht. „Zwolle is een aangename stad, hier voel ik me thuis. De eerste jaren droeg ik flink bij aan het stadsleven in de Overijsselse hoofdstad. Nu voel ik rust, beslist geen gezapigheid."
Hij verhuisde als tiener met ouders, broer en zus naar de destijds rauwe industriestad Enschede waar hij Jan Cremer ontdekte. Gellings ging
daarna studeren in Groningen, we schrijven jaren zeventig. In zijn eentje dacht hij in het noorden de Amsterdamse provotijd over te kunnen doen. „Ik was links langharig tuig en lag overhoop met de gevestigde orde. Een lastpak of desperado."
Zoals de hoofdpersoon Leonard Grünewald in zijn nieuwste roman was hij met recht een 'stadsguerrillastrijder'. „Ik schopte tegen auto's. Toen al stoorde ik me aan de hufterigheid van automobilisten. Ja, zelf rijd ik ook auto maar dat heeft niets aan de aversie veranderd." Zijn meest 'heldhaftige' daad bestond uit het fingeren van een vechtpartij om de politie af te leiden van een pand dat gekraakt zou worden.
„Ik was inderdaad een soort Icarus die dacht te kunnen vliegen, zich niet bewust van de gebrekkige vleugels met liefde door zijn vader Daedalus gemaakt. De overmoed van een jongeman die te hoog vliegt, dicht bij de zon, zodat hij in zee mietert. Daedalus begraaft zijn zoon op een eiland dat Icaria wordt genoemd."
Gellings' ouders leven nog, ruim in de tachtig in Enschede. Vader als scheikundige en moeder als farmaceute in ruste. „Het was geen elitair milieu", stelt Gellings. „Wel een literair en lezend gezin. Van mijn moeder kreeg ik de eerste typemachine, een Remmington. Ik moest maar gaan schrijven." De zwart-wit foto's gemaakt door zijn vader in de jaren vijftig in Amsterdam spelen nog steeds een belangrijke rol in zijn leven. „Van hem heb ik leren fotograferen. We hadden een donkere kamer in de kelder. Hier zag ik beelden uit het niets verschijnen."
Op de voorkant van De Zomer van Icarus prijkt een krachtig fotografisch beeld. De Steenwijker Hildo Krop vervaardigde veel markante beeldhouwwerken in Amsterdam-Zuid op straathoeken, panden en bruggenhoofden. Diens enorme steigerende paard steunend op de armen van een klein meisje staat symbool voor onbevangenheid. En de sterke mens die meer kan dragen dan hij denkt. Een typisch strijdbaar Krop-thema. Gellings vond het vroeger magisch. „Door de beelden van Krop sprak de wijk tot mijn kinderlijke verbeelding. Ik praatte tegen de stenen koppen op straat."
In zijn onderhuids broeiende roman wordt de jonge Grünewald extreem gepest. De afwezige ouders kunnen het leven na de oorlog niet aan. De jongen misbruikt maar beschermt tegelijkertijd zijn zwakzinnige zusje. Alle vernederingen in het boek zijn Gellings bekend. „De lekendocenten op onze katholieke jongensschool waren erg. Twee van hen waren zo sadistisch als in het boek. Ik werd gepest maar laten we het gesprek vooral niet larmoyant maken. Bewust heb ik in het boek de ik-figuur als pester beschreven. Men vond mij een te wijsneuzig joch en dat wekte irritatie op."
Zijn eerdere roman over Amsterdam-Zuid, 'Zuidelijke Wandelweg', leidde tot een beeldrijke website en wandelroute met Gellings als gids. „Ik trok langs locaties uit mijn verhaal en las fragmenten voor. Een wandeling door een boek. Daar is veel animo voor. Oudere mensen die er ooit hebben gewoond en oud-klasgenoten maar ook nieuwe bewoners. Een groepje Marokkanen op scooters haakten eens aan. Natuurlijk kneep ik hem even. Gelukkig trof ik de juiste toon en ze knetterden een tijdje met ons mee."
In zijn nieuwste roman komen enkele wandelervaringen aan bod. Aanvankelijk zag Gellings niets in dit commerciële idee van de uitgever. Hij vreesde "straatklinkerkoorts". Maar de auteur kreeg net als het publiek de smaak te pakken en stapt nog steeds graag de straat op met lezers.
Als eerste stadsdichter van Zwolle deed hij al zijn best een ander, minder literair, publiek te trekken. Rigoureus stapte Gellings uit de ivoren toren. Zijn levensloop op Wikipedia vermeldt al jaren dat hij in de strijd om het stadsdichterschap zou hebben gefraudeerd. Op de Thorbecke Scholengemeenschap, waar hij sinds de jaren tachtig Frans doceert, zou hij leerlingen hebben omgekocht op hem te stemmen. „Een vermakelijk fragment", lacht Gellings. „Het is wel aardig om publiekelijk als boef te worden neergezet. Overigens was er geen sprake van omkoping. Zelf hoefde ik niets te doen, ik had kapo's of hulpjes. Leerlingen die stemmen voor me inwonnen."
Een bestsellerauteur is hij nog niet. Van Witte Paarden verkocht hij 5000 exemplaren, van Zuidelijke Wandelweg 3500 en De Vulkaan en het Meisje deed het niet goed met 1000 stuks. „Je weet nooit waaraan het ligt. Natuurlijk hoop je op zoveel mogelijk lezers maar ik houd de innerlijke noodzaak om te schrijven." Hij heeft vrienden onder bekende collega's zoals Joost Zwagerman, Adriaan van Dis, Jean-Pierre Rawie en Kader Abdolah. Ook stadsgenoot en schrijver Igor Cornelissen komt vaak over de vloer. Gellings behoort echter niet tot een school of schrijverskring. „Geen behoefte aan. Schrijven is een solitair beroep."