Willem van Toorn is niet van plan het verleden te laten rusten.
door Arie Storm
Willem van Toorn is geboren in 1935 en heeft dus de oorlog meegemaakt. De herinnering daaraan speelt een belangrijke rol in zijn nieuwe verhalenbundel De geur van gedroogde appels. Zijn alter ego Erik Leeman - bekend uit eerder werk van Van Toorn - maakt bijvoorbeeld een busreis van Zagreb naar Sarajevo, de 'ongelukkige, maar nu ontzette stad'. Daar wordt een kunstfestival gehouden. De busreis duurt uren en uren en op een gegeven moment wordt er door een omgeving gereden die ervoor zorgt dat Leeman in gedachten wordt teruggevoerd naar 'het oorlogsland van zijn kindertijd, het bijna totaal platgeschoten stadje in het rivierengebied waar zijn ouders vandaan kwamen, de bomkrater van het Carlton Hotel in Amsterdam, waar hij met zijn vader en zijn broers naar was gaan kijken. Hij rook de geur van verkoold hout, aarde en steenstof die na weken nog op zulke plekken hing.'
Voor de kwaadwillige heeft dit misschien iets kokets, daar komt hij weer met zíjn oorlog aanzetten, maar in de handen van Van Toorn is van iets dergelijks geen sprake. Verleden en heden horen in deze verhalenbundel bij elkaar, de ene periode kan niet zonder de andere, in elk geval wil Van Toorn dat ze bij elkaar horen, waarbij hij de verschillen tussen toen en nu niet uit de weg gaat. Zo heeft het landschap dat voor Leeman achter het busraampje langstrekt 'iets dat verontrustend anders was dan alles wat hij als kind had gezien'.
Interessant zijn de verschillen, maar zeker zo interessant is de wijze waarop de blik op je omgeving wordt gevormd. Van Toorn steekt niet onder stoelen of banken dat de belevenissen en de vertelde geschiedenissen uit zijn jeugd vaak door zijn hoofd spoken. Zo begint hij een verhaal dat speelt in Jeruzalem met de volgende zin: 'Toen ik negen was wist ik precies hoe de Tempel in Jeruzalem eruitzag.' Daarna volgen herinneringen aan de door Van Toorn als kind bezochte protestants christelijke lagere school (in sommige verhalen voert Van Toorn zich onder zijn eigen naam op), aan juffrouw Fiege en aan 'de op dik linnen geplakte schoolplaat, tussen twee ronde stokken', De Tempel van Jeruzalem. Aantrekkelijk is de gedetailleerdheid van deze herinneringen en de volledigheid waarmee ze naar het heden, het Jeruzalem van nu, blijken te zijn meegenomen.
Soms lijkt de verteller bijna helemaal te verdwijnen in een gebied dat door al die verschillende herinneringen en indrukken wordt opgeroepen, zoals in het titelverhaal, waarin dit gevoel door een geur wordt bewerkstelligd: 'De geur van appels was zo sterk dat ik een paar tellen totaal mijn oriëntatie kwijt was: ik was overal tegelijk, in de huizen van mijn kindertijd, in onze eigen boerderij thuis - ik was vooral in de geur van appels.' Die laatste toevoeging relativeert een en ander overigens wel weer een beetje, op een niet onaangename wijze, maar de opgeroepen ervaringen worden er niet minder serieus om. Van Toorn wíl, zoals gezegd, dat het ene in het andere overgaat, dat alles met elkaar samenhangt, dat het verleden niet zomaar weg is, maar dat het integendeel nog altijd een rol speelt.
In dat licht bezien is het in deze bundel relatief lange verhaal Haarlem Station bijzonder. 'Eigenlijk zit ik hier best goed,' luidt de eerste zin ervan en die wordt gedacht door een zeventienjarige jongen in het begin van de jaren vijftig. Van Toorn blijft in dit verhaal heel dicht bij die jongen; Van Toorn schrijft in zijn toon. Het is een verhaal waarin onder alle schijnbare doorzichtigheid de raadsels ritselen. Het verleden wordt bijna tastbaar, maar blijkt toch ook zeer ver weg te zijn.
Het verhaal past goed in deze bundel, want het laat zien dat het niet altijd vanzelfsprekend is dat toen en nu een eenheid vormen. Soms word je plotseling door het verleden overvallen, soms lijkt het heel ver weg. Maar Van Toorn is niet van plan het verleden zomaar te laten verdwijnen. En gelijk heeft hij.