Albert Cohen van Het boek van mijn moeder is een heel andere dan die van het onlangs verschenen De uitverkorene van de heer,
ingetogener vooral, maar het is van dezelfde grote schrijver. Briljant.
door Guus Luijters
'Ieder mens is alleen en niemand geeft iets om een ander en ons verdriet is een onbewoond eiland.' Zo begint Het boek van mijn moeder, de in 1954 verschenen ode aan de dood, van Albert Cohen. De moeder van Cohen, Louise Judith Coen, geboren Ferro, stierf
op 19 januari 1943 in Marseille. Het lijkt dus of Cohen er lang over gedaan heeft om zijn moeder met dit boek te eren, maar al in de
zomer van 1943 publiceerde hij Chant de mort, de eerste van de vier teksten die tezamen aan de basis staan van Het boek van mijn moeder.
In de elf jaar dat Cohen aan het boek heeft gewerkt, is de tekst steeds soberder geworden en het onderwerp steeds nauwer afgeperkt, totdat het was wat het nu is: een meesterwerk over de liefde van een moeder voor haar zoon. Cohen suggereert voortdurend dat zijn boek over de liefde van een zoon voor zijn moeder gaat, maar als het er op aankomt, weet hij zelf maar al te goed, dat niet het geval is. De mooiste passages in dit prachtige boek staan dan ook in het korte hoofdstuk waarin Cohen zijn moeder verloochent. Ongerust heeft zij om vier uur s morgens opgebeld naar de gravin waar Cohen te gast is, met de vraag of haar zoon daar nog steeds is. Weer thuis maakt hij een scëne. Waarover hij zich later schaamt. Haar moeder troost hem, neemt hem op schoot. 'Maar,' schrijft Cohen, 'toen ik de avond daarna naar een andere schitterende receptie ging, nam ik mijn moeder niet mee.'
Het lijkt dat hij onze sympathie probeert te winnen met zijn verregaande eerlijkheid, maar als je goed kijkt, zie je dat hij onze sympathie niet wil, niet nodig heeft. Hoe ongelooflijk het ook klinkt, maar het gaat hem echt om zijn moeder.
Het lied voor zijn dode moeder wordt door Cohen in alle toonhoogten gezongen, van alle kanten wordt de moeder belicht en iedere keer weer wordt vastgesteld, dat ze dood is. 'Ik zend je een kus in de nacht,'zegt Cohen, 'jij, verder weg dan de sterren.' Er is een moment dat Cohen te kennen geeft, dat zijn moeder misschien meer is dan alleen maar zijn moeder: 'O jij, de enige, moeder,
mijn moeder en moeder van alle mensen, alleen jij, onze moeder, verdient ons vertrouwen en onze liefde.' Het voelt enigszins ongemakkelijk, maar een bladzijde verder is het moment al voorbij en is Cohen terug bij zijn eigenlijke onderwerp, als hij zijn
moeder zijn hand laat pakken: 'zoals je dat bij een vriend doet. 'Mijn kleine kangeroe,' zei ze dan. Dat alles is zo dichtbij. Een paar duizend uur geleden.'
Albert Cohen van Het boek van mijn moeder is een heel andere dan die van het onlangs verschenen De uitverkorene van de heer,
ingetogener vooral, maar het is van dezelfde grote schrijver. Briljant.