Kees van Beijnum schreef met 'Een soort familie' een roman over de dwingende kracht van idealisme. 'Meer dan door de wereldgeschiedenis wordt het leven door kleine dingen bepaald.'
door Ronald Ockhuysen
foto: Bart Koetsier
Kees van Beijnum is niet langer de kronikeur van Amsterdam. Van dat predikaat, hem opgeplakt na de succesvolle romans Dichter op de Zeedijk en Oesters van Nam Kee, blijft in Een soort familie niets over. In zijn nieuwste boek, zijn tiende alweer, vormt het vlakke land van Wieringen het voornaamste decor, evenals de Wadden en nieuwbouwwijken in de provincie. "Ik wilde andere dingen uitproberen. Ook omdat ik zelf de stad ben uitgegaan. Daardoor ben ik met andere ogen naar dit land en zijn landschap gaan kijken. Ik kreeg nieuwsgierigheid naar het leven in een klein dorp. Naar hoe het is geen deel uit te maken van de dynamiek van de grote stad."
Wat dat precies betekent voor zijn schrijverschap, weet Van Beijnum nog niet. "Ik heb alleen wel gemerkt dat ik me andere vragen stel. Ik kijk nu anders naar dit land. Wat, denk ik, verstandig is; het dagelijkse leven op Wieringen komt waarschijnlijk dichterbij de Nederlandse werkelijkheid dan het leven in Amsterdam."
Een soort familie gaat over het opgroeien in een gezin dat zich in de jaren tachtig fanatiek inzet voor de vredesbeweging. Het gezin, gezien vanuit het perspectief van de jongste zoon Teun, heeft binnen de dorpse gemeenschap de positie van vreemde buitenstaanders. Van Beijnums eerste plannen voor het boek gingen uit van een familie die op een plek woont waar ze niet oorspronkelijk vandaan komen. Het zijn verstandige mensen, die op het leven reflecteren, kranten lezen, en zich zorgen maken over de toekomst. De ouders denken voortdurend hardop na over een betere wereld, maar intussen laten zij hun naaste omgeving verworden tot een puinhoop. "Ik begon met de vraag: Waarom weten we het voor anderen altijd zo goed, terwijl we ons eigen leven op hetzelfde moment uit onze handen kunnen laten vallen? Ik wist ook vanaf het begin dat het een gezin zou zijn dat zich voor iets groters dan de alledaagse werkelijkheid inzet."

Van Beijnum maakte, zo rond zijn zeventiende, voor het eerst zelf kennis met milieus waarin ouders meeblowden met de kinderen, en voorop gingen in de anarchie. "Ik keek in eerste instantie erg op tegen die lui waartegen alles gezegd kon worden, en bij wie de betutteling niet aanwezig leek. Pas gaandeweg kwam ik erachter dat hun kinderen, of andere mensen in hun omgeving, zich in dit soort zogenaamd vrije milieus ook strikt aan de heersende codes moesten houden. Ik ontdekte dat die vrijheid eigenlijk weinig voorstelde. Afwijkend gedrag werd evenmin op prijs gesteld. De Telegraaf lezen, bijvoorbeeld, was taboe. Net als naar Hollywoodfilms kijken."
De familie van hoofdpersoon Teun behoort tot het argeloze soort. Zolang iedereen dezelfde idealen nastreeft, is er niets aan hand. Maar als de broer van Teun zich aan de groepsdiscipline onttrekt, valt het gezin meteen uit elkaar. Van Beijnum: "Dat is het dramatische van opvoeding. Ouders hebben het beste met hun kinderen voor. Totdat blijkt dat de kinderen een eigen karakter en eigen gedrag ontwikkelen. Dan hebben ouders de neiging de kinderen te dwingen om toch echt zoals zij zelf te worden."
In Een soort familie zijn de kinderen het slachtoffer van de preoccupaties van hun vader en moeder. Tot diep in de roman zorgt dit voor hilariteit en spanning, om op een gegeven moment over te gaan in een noodlotsdrama. Van Beijnum plaatst tegenover de jeugd vol pesterijen, politiek bewustzijn en onbegrip het leven in de 21ste eeuw, met een volwassen Teun die nog altijd worstelt met zijn kinder- en puberjaren. Teun, een ambitieloze verkoper van printers en kopieermachines, is een man zonder ruggengraat. Zo'n type dat voortdurend over keuzes praat, maar nooit een knoop doorhakt.
Voor het troosteloze vertegenwoordigersbestaan van de volwassen Teun putte Van Beijnum uit zijn eigen herinneringen. Na de middelbare school deed hij, zoekend naar houvast, allerlei baantjes. Zo'n anderhalf jaar verkocht hij, rijdend door alle wijken van de stad, kopieermachines. "Dat was echt een treurige periode. Want je wordt overal afgepoeierd en weggekeken. Ik herinner me nog goed de dag dat ik besloot ermee te stoppen. Een bevrijding. Ik ben daarna een jaar lang gaan lezen en films kijken. Als een alternatieve opleiding. In dat jaar heeft het idee dat ik schrijver kon worden, ergens wortel geschoten."
Van Beijnum slaagt in Een soort familie erin sympathie voor Teun op te wekken, ondanks diens lethargische houding. Dat doet hij door bij Teun, na een bezoek aan Wieringen, een luik open te zetten, en de onrust op te jagen. Daarbij is Teun ook vader van een zoon. Hij wil er graag voor dat jongetje zijn, al weet hij niet precies hoe. Van Beijnum hoopt dat zijn boek werkt zoals goede films ook werken. "Dat de lezer iets ontdekt in iemand wat het betreffende personage zelf nog niet zo doorheeft. Dat je al lezend gaat hopen dat er iets gebeurt, waardoor dat personage wel ruimte creëert en wel weer de regie krijgt over zijn leven."
Een soort familie heeft een open einde. Alsof een spannende voetbalwedstrijd eindigt met de aanloop van de beslissende strafschop. "Ik geef de lezer zo de kans opties te nemen op de toekomst van mijn hoofdpersoon. Dat brengt een risico met zich mee. Veel lezers hunkeren naar een afgerond einde, waar alles helder is en duidelijk. Terwijl ik vind dat het einde van het boek het begin van de volgende dag is. Teun zit aan het slot op de grens van zijn leven."
Een hoogtepunt in de roman is het ritueel waar Teun zich met zijn broer Hans met regelmaat aan overgeeft. De jongens fietsen dan in de vroege ochtend, zonder dat hun ouders dat weten, naar het Wad, waar ze naakt in het water springen en elkaar onder de modder smeren.
Teuns broer durft meer, en treedt het leven met meer moed tegemoet. "Tijdens dat ritueel maken ze zich ontzettend vies, wat van hun moeder natuurlijk niet mag. Dat is voor Teun een onaantastbaar moment. De bevestiging van een gevoel. Een gevoel van grote verbondenheid met zijn broer."
Het verhaal speelt eind jaren tachtig, een tijd waarin doemdenken de toon bepaalde. Tegen 'plaatsing van kernkoppen in de achtertuin' zijn de ouders van Teun en Hans, voor eenzijdige ontwapening door het Westen. Het gezin gaat folderend de deuren langs, is nadrukkelijk aanwezig op bijeenkomsten met zang, dans en voordracht en de vriendenkring reikt niet verder dan andere aanhangers van het geloof in wereldvrede. "Wat ik aantrekkelijk vind is dat in 1981 een keurig gezin naar de vredesdemonstratie op het Museumplein gaat, en daar een levensbestemming vindt. Meer nog dan het machtige jongleren van de wereldgeschiedenis - oorlogen, natuurrampen -, zijn het kleine,
onverwachte dingen die je lot bepalen. Als die ouders niet die dag naar het Museumplein waren gegaan, dan was hun leven en dat van hun zoons totaal anders verlopen. Zo werkt het. Je kunt naar het goede hunkeren, en toch het slechte doen."