Met Laagland schreef Joseph O’Neill een van de betere romans van dit decennium. Zes weken vertoeft hij in Nederland, waar hij ook zijn jeugd doorbracht. “Boeken moeten hun mysterie houden.”
door Theo Hakkert
foto: GPD/Evert Elzinga
Als een kind in een snoeppakhuis, zo banjert Joseph O’Neill (1964) door de ruime etage die hij tijdelijk heeft mogen betrekken. Zes weken is hij bewoner van de schrijversresidentie op het Spui. Drie hoog boven de Athenaeum-boekhandel in Amsterdam. Uit het woonkamerraam kijkt hij het Lieverdje in de nek, uit het keukenraam kan hij zijn Nederlandse collega’s volgen die na al dan niet gedane schrijfarbeid een biertje pakken bij café De Zwart.
Zijn situatie laat zich wellicht het best vergelijken met die van regisseur Fons Rademakers die lange jaren in Rome vanuit zijn kamerraam uitzicht had op het Pantheon.
“Je begrijpt dat ik me binnen twee minuten helemaal thuis voelde hier”, zegt O’Neill, dit keer in het Engels. Twee zinnen later schakelt hij over op het Nederlands. Frans kan hij ook, geleerd op de internationale school in Den Haag. Turks spreekt hij een beetje, want zijn moeder is Turks. Eén vloeiende regel heeft hij paraat: dat hij verder geen Turks kan. Terwijl hij officieel een Ier is, al heeft hij nu ook een Amerikaans paspoort. Een wereldburger aan het Spui.
“Iers ben ik waarschijnlijk juist het minst van allemaal. Ik deel de geschiedenis van Ierland niet, omdat ik Nederland ben opgegroeid.” Zijn vader bouwde olieraffinaderijen. Tijdens een klus op de Maasvlakte leek het zijn ouders een goed plan om de jonge Joseph bij een internationale school aan te melden. “Mijn vormende jaren woonde ik in Nederland, zo kun je het zeggen.”

Het heeft zich terugbetaald in wereldliteratuur. O’Neill situeerde zijn schitterende roman Netherland, nu vertaald onder de titel Laagland, deels in Nederland. Schitterende scenes op de schaats bijvoorbeeld.
De hoofdpersoon Hans van den Broek – “Toeval, ik bedoelde niet de politicus, al vind ik het feit dat hij minister van Buitenlandse Zaken was wel een gelukkig toeval” – woont en werkt als bankier in New York ten tijde van de aanslagen van 11 september. Zijn Engelse vrouw besluit, uit angst voor meer terreur, tijdelijk met hun zoon terug naar Londen te gaan en Van den Broek neemt zijn intrek in het Chelsea hotel.
Alleen in de getraumatiseerde stad maakt hij kennis met ene Chuck Ramkissoon, een ondernemend type afkomstig van Trinidad en fervent cricketspeler. Hij loopt met het plan rond voor de bouw van een groot cricketstadion in New York. Van den Broek heeft niet in de gaten hoe hij zich door Chuck laat inpakken en gebruiken voor duistere zaakjes. Pas nadat het lichaam van de vermoorde Chuck, twee jaar na dato, in een riool opduikt, krijgt Van den Broek enig vat op wat hem de voorbije jaren is overkomen.
“De dood van zijn vriend zet zijn eigen leven in een ander licht. Zaken vallen op hun plek. Als je leven in een crisis raakt, ga je reflecteren en daarbij schieten er allerlei gedachten tegelijk door je hoofd. In de herinneringen zelf zitten ook weer herinneringen en dus kon dit geen boek worden met een lineaire structuur.”
“De roman is een queeste naar visie”, zegt hij. Opvallend inderdaad hoe hij zijn hoofdpersoon speurend, zoekend en in onzekerheid door diens wereld laat lopen. “Hans kijkt steeds. Uit ramen, onder tafels. Ergens moeten die antwoorden toch zijn. He is out of touch. Ik houd van personages die niets begrijpen. Dat maakt ze authentiek. Want wat weten we zelf nou eigenlijk? De wereld is een mysterie. We kunnen ons leven vormgeven. Maar zin en betekenis eraan geven gaat ons boven de pet. Elke conclusie is voorlopig en klein.”
“Er is geen filosoof die weet hoe de wereld werkt. Ze kunnen wel dingen zeggen, maar het laatste woord, de definitieve uitleg is er niet. Anders bestond filosofie ook niet meer.”
“Ik denk dat er mensen zijn die hebben gedacht dat het in de financiële wereld anders was. Dat het daar wel een en al zekerheid was. Met Alan Greenspan als goeroe. Alle kennis zou leiden tot hij wat hij wist. Waarop hij een persconferentie belegde en toen zei: ik heb geen idee. Alsof God een persconferentie gaf waarin hij kenbaar maakte dat er geen god bestond.”
“Zekerheid is gevaarlijk”, luidt zijn conclusie. “We hebben aan George Bush gezien hoe idioot het kan uitpakken.”
De zoektocht van Hans van den Broek vindt een parallel in die van Joseph O’Neill aan de schrijftafel. “Vooraf wist ik dat het om een vergeefse poging tot de bouw van een cricketstadion in New York zou gaan, meer niet. Ik moet ook vooraf niet nadenken. Het is zaak te beginnen met niet te veel kennis. Schrijven werkt bottom up. Wat je denkt te weten ga je etaleren. Ik wil geen conclusies schrijven. Ik wil niet naar een conclusie toewerken ook.”
“Ik moet geloven in mijn intuïties. Die moet ik volgen, ook als ze me meenemen naar cricket. Zo moest 9/11 ook maar een manier vinden het boek binnen zien te sijpelen. Zoals eigenlijk alles dit boek op onnadrukkelijke wijze binnen is geslopen. Het is een boek zonder centraal gegeven, met een centrum dat leeg is. Het is eerder een alternatief voor de wereld dan een reductie ervan – en dat is nou precies wat ik wil. Zo hoort het: boeken moeten hun mysterie houden. Je moet de bodem niet kunnen vinden. Nooit wordt eenduidig duidelijk waar het boek over gaat. Ook niet hoe het de levende personages verder vergaat.”
Cricket. Joseph O'Neill speelde het al op jonge leeftijd. Bij de voetbalclub speelden ze cricket in de zomer. Hij heeft zelfs voor vertegenwoordigende Nederlandse teams gespeeld. Mooi zoals hij het uitspreekt: Nederlandse Jeugd. “We hebben ze Engeland eens verslagen.”Op het Boekenbal kwam hij een speler uit die tijd tegen. “Hey, O’Neill, wat doe jij hier?” Erik van Muiswinkel.
Laagland is – ook qua kwaliteit – vergeleken met The Great Gatsby, het finest hour van F. Scott Fitzgerald. O’Neill vat beide plots zo samen: “Een man die zich een man herinnert die verdronken is en iets had van een gangster.”
“Ik moet dat gedownload hebben. Eerst voelde ik me ongemakkelijk bij die vergelijkingen, maar toen dacht ik: mijn roman is in dialoog met Gatsby, met die van mij als de junior partner in de conversatie. Mijn boek is een farewell to Gatsby, een afscheid ook van een Amerika dat niet meer bestaat. De wereld van Gatsby is weg. Toch is het idee van de American Dream geen literaire constructie. De regering zelf spreekt er ook over. Wat de American Dream werkelijk verwoest, is wat nu gebeurt: de financiële crisis. Dit boek gaat al over globalisering. Het stof van 11 september moest eerst neerdalen voordat ik ermee aan de slag kon. Nu moet eerst het stof van de crisis weer neerdalen, ja.”
De bel gaat. Zoals het ook tijdelijke huisbewoners betaamt gaat O’Neill eens kijken wie er is. Hij komt weer boven met een fleurige ruiker. “Dat is het derde boeket al. Terwijl ik zo’n hekel aan bloemen heb. Hier, deze zijn toch dood.” Hij rukt de halfvergane tulpen uit de vaas en propt ze in de vuilnis. “Zo.”
De nieuwe ruiker zet hij in de gootsteen. Keurig met de kruin naar boven. Dat wel.