De Engelse schrijfster Julia Blackburn schreef met Wij drieën een boek over het leven met haar verslaafde vader en haar nymfomane en jaloerse moeder.
door Dirk-Jan Arensman
foto: Peter Elenbaas
"Vergelijk het met Shakespeare," zegt ze. "Als er aan het eind van het stuk mensen doodgaan, dan noemen we het een tragedie; gebeurt dat niet, dan is het een komedie. Het verhaal blijft in essentie hetzelfde."
Het is haar levensfilosofie in een notendop: "The future directs the past." Het verleden kan nog zo duister lijken, als het slotakkoord maar vrolijk klinkt, wordt het verslag ervan vanzelf minder zwaar.
Een komedie, of op z'n minst tragikomisch. Want dat zijn de indrukwekkend jeugdmemoires van Julia Blackburn (1948), Wij drieën, geworden. Volgens de schrijfster ironisch genoeg mede doordat haar moeder, de kunstenares Rosalie de Meric, in april 1999 stierf aan leukemie. En door de maand daarvoor, die ze bij Blackburn in huis doorbracht. Een vreemde en gelukkige tijd, waarin de dingen eindelijk
werden uitgepraat.
"Ik zal Julia nooit, nooit, nooit vergeven voor wat er gebeurd is in 1966," las de dochter in een notitieboekje van haar moeder. "Als dat ene velletje er niet geweest was, had ik haar er nooit op aan kunnen spreken. We wisten dat we nog hooguit twee weken samen hadden, dus ik was echt niet van plan galmend aan te kondigen dat ik over 'het verleden' wilde praten. Maar die trigger maakte het ineens mogelijk. Ik liet haar zien wat ze geschreven had, en zei: Zo kunnen we niet verder. En toen zei zij: 'Prima."'
"Verbijsterend, hè?" lacht ze. "Meer dan dertig jaar wist ik dat ik iets te verhapstukken had met die moeder van me, wat nooit lukte, en dan dat antwoord."
Kort voor ze stierf zei ze ook nog tegen haar dochter: "Nu kan je over mij gaan schrijven, niet?'
Een conclusie als toestemming en een verzoek tegelijk, dat Blackburn, die hiervoor twee romans en zeven non-fictieboeken schreef, nu liefdevol en afstandelijk, wrang humoristisch én pijnlijk eerlijk heeft ingewilligd met een verhaal dat, zoals ze zelf zegt 'too outragious for fiction' was.
"Eigenlijk benaderde ik die drie mensen, mezelf en mijn ouders, als vreemden over wie ik een biografie moest schrijven. Ik las de dagboeken die ik van mijn veertiende tot mijn twintigste had bijgehouden, twaalf notitieboeken vol die ik nooit meer had ingekeken, omdat ik er geen reden toe had; de brieven, dagboeken en gedichten die mijn ouders hadden bewaard. En dan maar kijken wat zich aandiende. 1954. Wat gebeurde er toen? O, dat. Goh!"
En veel gebeurde er. In haar vroege jeugd vooral rondom haar vader, de dichter Thomas Blackburn. Een alcoholist met een verslaving aan barbituaten die in benevelde staat ronduit beangstigend kon zijn 'voor mensen die hij niet aardig vond en mensen met wie hij getrouwd was'. "Hij kon schuimbekken en alle drugs nemen die hij in handen kon krijgen. Zo gewelddadig worden dat mijn moeder mij letterlijk als schild moest gebruiken. En ik heb hem enorm zien afglijden, tot ik hem opzocht in een krankzinnigengesticht en dacht: mijn God, je vermaakt je hier nog ook!"
Een modelvader kon je hem niet noemen. "Maar," zegt ze, "ik bleef altijd de persoon achter die ellende en chaos zien. De man die ook heel aardig kon zijn, die nooit een seksuele bedreiging voor me was en die mij echt zág, als kind en als volwassene."
Het is een schril contrast met wat je rustig de centrale figuur in Wij drieën kunt nemen. Want al blijft haar vader, die in 1977 overleed, regelmatig opduiken - als charmant wrak of de verder overtuigd heteroseksuele minnaar van Francis Bacon -, na de scheiding van haar ouders groeide Rosalie uit tot het echte probleem.
Rosalie die als nymfomane huisbazin een hele stoet mannelijke kostgangers het huis in sleepte. Die Julia meer als zusje dan als dochter behandelde en, toen ze nog maar nauwelijks in de puberteit was, haar seksuele opvoeding nogal overenthousiast oppakte. Moest ze voordoen hoe je masturbeerde? vroeg ze."Of: weet je wel wat lesbische vrouwen met een dildo doen, darling?" "En dan kwam dat afgrijselijke voorwerp uit de la. Als ik mezelf toesta erover na te denken, word ik ontzettend giechelig. Die verhalen durfde ik lang zelfs niet aan mijn beste vrienden te vertellen, maar toen ik ze op ging schrijven waren ze zo theatraal, absurd en grappig!'"
Absolutely Fabulous, maar dan waargebeurde. En met een duister randje, dat wel. Want vanaf, pakweg, haar twaalfde begon haar moeder haar als een rivale te beschouwen.
"Het was de post-Lolita-tijd," verklaart Blackburn. "De vroege seksuele revolutie waarbinnen, onder bohemienachtige kunstenaars en schrijvers, dingen mogelijk waren die nu volstrekt niet meer zouden kunnen. Mannen die op feestjes naar mij keken en dan tegen elkaar
zeiden: 'Look at them titties! Kom eens hier, schatje.' Die tegen elkaar opschepten over zestienjarige veroveringen. 'Hmmm. Ze deed me aan mijn dochter denken"'
In het gewraakte jaar 1966 gebeurde het misschien wel onvermijdelijke. De achttienjarige Julia kreeg een verhouding met Geoffrey, een depressief aangelegde tekenleraar van veertig en (ex-)minnaar van Rosalie, die haar voorhield dat met hem samenwonen de enige manier was om aan haar moeder te ontsnappen. Prompt zette ze haar toenmalige Nederlandse vriendje Hans - een kostganger wiens slaapkamer ze ooit door haar moeder letterlijk was ingeduwd ("Deze is voor jou, darling.") – aan de dijk.
"Dat vind ik nog steeds moeilijk te begrijpen, maar waarschijnlijk had het te maken met een rare psychologische logica. Een soort gehoorzaamheid. Mijn moeder zei al jaren dat ik mannen probeerde te verleiden, ook als ik gewoon door de kamer liep met een boterham. Uiteindelijk was het bijna makkelijker om dan maar te doen waar ze me al die tijd van beschuldigde. Oké, je hebt gelijk. And now we fight."
De relatie duurde drie jaar, kende een fataal einde - waar zij de schuld van kreeg - en verstoorde schijnbaar voorgoed de toch al getroebleerde band met haar moeder, die haar voorhield: "Als jij er niet was geweest, was ik nu gelukkig geweest."
Drama op de rand van trauma, eigenlijk.
En, ja, toen ze zelf kinderen kreeg, besloot ze het allemaal heel anders aan te pakken. Als ze haar nodig hadden, legde ze haar werk meteen opzij, ze was goed in verhaaltjes voorlezen en slaapliedjes zingen en vermeed melodramatische scènes. "En op het gebied van de facts of life was ik, op zijn zachtst gezegd nogal omzichtig," lacht ze. "Alsof ik een generaties werd teruggeworpen in de tijd. De bloemetjes en de bijtjes! Of: kijk maar hoe je cavia's het doen!"
Maar toch kon ze met mededogen en begrip over die tijd schrijven en, nu, praten. Haar ouders waren 'overlevers'. 'Mensen die allebei uit heel disfunctionele, repressieve gezinnen kwamen en tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen een anarchistische vrijheid ontdekten. Kunstenaars werd een ongelooflijke mate van zelfzuchtigheid en egocentrisme toegestaan. En ze wáren ook levendig en opwindend.'
Ze zwijgt even. Zegt dan: "Ik heb gezien dat mijn vader zijn hele leven gekweld werd door de haat die hij voor zijn vader voelde. Die last wilde ik niet dragen."
En na die maand in 1999 hóefde dat niet meer. Ze verzoende zich met haar moeder én kreeg weer intensief contact met Hans, het Nederlandse vriendje-van-toen aan wie ze faxen schreef over haar moeders sterfbed die in Wij drieën elk hoofdstuk afsluiten en met wie ze kort na Rosalie's dood trouwde.
"In het archief," zegt ze nog steeds verbijsterd, "kwam ik een brief van mijn vader tegen uit 1972, waarin hij Hans schreef dat hij hoopte dat hij deel uit zou maken van mijn toekomst."
Dus nu deelt ze haar leven met de man die haar moeder voor haar 'uitkoos' en haar vader goedkeurde? Toch weer de gehoorzame dochter?
Ze lacht. "Dat is onder de gordel! Dat accepteer ik niet!"
Dan haalt ze haar schouders op. "What the hell." Als de toekomst het verleden kleurt, dan krijgt het door haar huwelijk een behoorlijk gelukkige tint.