TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen

TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen | Op de Hoogtekadijk waaiden de zomerjurken op

Op de Hoogtekadijk waaiden de zomerjurken op  

door Maarten Moll
foto: Harmen de Jong/GPD

Rond het terras van café Orloff jaagt de wind. Een glazen bol met een kaars erin wordt van tafel geblazen, lunchkaarten waaien over straat. Oek de Jong (1952) laat zijn blik over het schitterend gerenoveerde Kadijksplein gaan. "Wat hier zat, weet ik niet  meer, maar daar, op de andere hoek, zat een penose-café." Hij wijst naar de olijfboom in een grote pot op de hoek van het terras. "Die olijfboom geeft wel aan hoe deze buurt is opgewaardeerd."
Teruggekeerd. Oek de Jong is back. In deze buurt, op de Hoogte Kadijk, schreef hij Opwaaiende zomerjurken, zijn romandebuut. De roman maakte bij verschijning in 1979 van de 27-jarige schrijver in één klap een beroemdheid. Deze maand is het dertig jaar geleden dat de roman verscheen, en ter gelegenheid daarvan is nu een jubileumeditie (de 36ste druk!) uitgebracht. Van Opwaaiende zomerjurken zijn meer dan 200.000 exemplaren verkocht.
"In juni 1978 kwam ik hier terecht. Ik woonde al zeven jaar in Amsterdam, had al in andere volksbuurten gewoond, Oud-West, de Transvaalbuurt, met de hoogste concentratie werklozen, maar ik was nog nooit op de Kadijken geweest. Het was een verlaten eiland in het centrum van Amsterdam, omgeven door het water van de Nieuwe Vaart, het Entrepotdok en de Nieuwe Herengracht. Een sterk verpauperde buurt. Ook mijn vrienden kenden dit deel van Amsterdam niet. Het ligt ook niet op een doorgaande route. Het was een buurt van lege pakhuizen, verkrottende woningen, en er gebeurde helemaal niets. Een paar handelaren
van het Waterlooplein hadden hier hun opslagplaats. Op de kade van het Entrepotdok stonden nog de oude scheepskranen. In het Zeemanshuis daar op de hoek waren de kamers meestal leeg. Heel soms zag je er een ploegje Filipijnen rondhangen."
We staan op en wandelen de Hoogte Kadijk op. "Direct om de hoek passeren we restaurant Teatro. Een proefwerk van Johannes van Dam staat ingelijst en prominent in de etalage (een 9). De Jong kijkt naar binnen. "Hier zat vroeger het Spaanse restaurant Iberia. Daar heb ik vaak gegeten. Heel gezellig, met die grote kannen sangria. Eerste generatie gastarbeiders, die Spanjaarden, net als de drie Marokkaanse mannen die boven mij woonden. Heerlijke
paella. Zo'n klein restaurant dat altijd stampvol zat. Dan besloegen de ramen. daar hield ik van. Ik heb er veel gepraat met mijn eerste literaire vrienden. Frans Kellendonk, Jaap Goedegebuure, Willem Jan Otten, Kester Freriks."
Hij wijst. "Daar verderop in pakhuis Het Veem heeft BEWTH mooie voorstellingen gegeven.  In een onderstuk daar in de Laagte Kadijk zat de befaamde jazzclub van Joseph Lamm. En er was de specerijenhandel van Schipper. In dat deel van de straat rook het sterk naar peper en andere exotische kruiden."
De Jong ging onmiddellijk van de buurt houden. "Je had hier in dit rijtje lage huizen die nu dus zijndichtgetimmerd woonden jonge kunstenaars, zoals Willem Jan Otten, die net met Vonne van der Meer getrouwd was, en de componist Boudewijn Tarenskeen.  Tussen Kadijkers die hier al hun hele leven woonden. Zoals de oude mevrouw Karsten."
Mevrouw Karsten wordt genoemd in De roman als oerschreeuw, een autobiografisch essay over de ontstaansgeschiedenis van Opwaaiende zomerjurken dat te lezen is in de jubileumeditie. '... een raszuiver vetegenwoordigster van het oude Amsterdamse proletariaat. Een goedgebekte en bikkelharde vrouw, weduwe sinds 1946. 'Ik heb altijd mijn handen laten
wapperen,' was haar adagium.' Nadat De Jong op televisie was geweest, steeg haar achting voor hem. 'Dit is mijn buurjongen, de schrijver,' zo werd hij voortaan voorgesteld.
We lopen langs al verouderde nieuwbouw. "Gek," zegt De Jong, "dat je niet precies meer weet wat daar vroeger stond." Vlak voor de werf Koning William passeren we een muur vol graffiti. "Daar zat een stalen deur in, en daarachter verstopt werd de communistische krant De Waarheid gemaakt. Midden in een proletarische buurt, zoals het hoort." We lopen over brug 80 over de Entrepotdoksluis. "Soms hoorden we in de zomer de olifanten trompetteren
als ze werden natgespoten, voor de rest merkte je van  Artis bijna niets." De Jong wijst naar de plek op werf 't Kromhout waar zijn zeilsloep in de winter lag. "Een overnaadse boot die in het vroege voorjaar altijd eerst even zonk, voor we er, als de naden weer waren dichtgetrokken, mee konden varen."
We naderen zijn vroegere woning, vlakbij het oude terrein van het GEB. "Daar, op dat stoepje, zat Nico altijd. Een licht achterlijke man die een deel van de Hoogte Kadijk aanveegde, en die af en toe een tientje vediende door te helpen met het uitladen van de vrachtwagens bij Houtsma Keuken." En dan staan we voor nummer 167. In het verhaal Mevrouw Len, dat tegelijkertijd met de jubileumeditie van Opwaaiende zomerjurken verscheen, lezen we over het huis. Het is een beklemmend, schrijnend verhaal over een Poolse vrouw met tientallen katten die hunkerde naar aandacht. "Boven me woonden die drie Marokkanen, die in de nachtdienst bij Heineken werkten. Soms klopte meneer Bernoussi op mijn deur. Dan deed ik het papierwerk voor ze. Toen ik eens terugkwam  van een reis naar Marokko, vouwde ik een kaart voor meneer Bernoussi open en liet ik hem zien welke
route ik was gevolgd. Hij zat me verbijsterd en een beetje schichtig aan te kijken. Hij was analfabeet, en hij had nog nooit een kaart gezien."
De Jong bewoonde een tweekamerappartement (tweede verdieping, rechts van het trappenhuis) waarvan de plankenvloeren zwart werden geverfd. In deel drie van Opwaaiende zomerjurken gebruikte De Jong zijn huis als locatie. Er zit een fraaie observatie in over een gemeenteambtenaar die de kantine beheerde in het gebouw recht tegenover de woning van De Jong. "Hij schonk koffie voor de monteurs in hun lange leren jassen. Hij  had weinig te doen, en werd ook nog een gepest door de monteurs die met van die grote elastieken naar hem schoten. Ik heb veel naar hem staan kijken. Zijn vertrek ging elke dag op dezelfde manier in zijn werk. Dan zat hij na zijn laatste ronde, met zijn jas al aan, op zijn stoel om, naar de klok kijkend, precies om vijf het licht uit te doen en weg te gaan."
Wie nu voor Hoogte Kadijk 167 staat, ziet een fantasieloze gevel die, zover dat kan, nog verder wordt ontsierd door de lelijke, kunststoffen kozijnen. Je fietst er zo voorbij. Er is ook geen gevelsteen waarop staat: In dit huis werd Opwaaiende zomerjurken geschreven. En ook aan Oek de Jong is niets te zien. Het huis waar hij als schrijver echt werd geboren emotioneert hem niet. Wel komt er net een bewoner van een paar huizen verderop naar buiten die de schrijver begroet en hem de hand schudt.
Onmiddellijk beginnen ze te praten over vroeger. "Die kattenvrouw? Die kwam dan 's nachts bij me aanbellen om te vragen of ik haar poes had gezien." De Jong vraagt naar Nico. "Die heeft zijn moeder niet overleefd."
We lopen nog even door, richting het Texaco pompstation. "Daar haalde ik altijd sigaretten. Waar nu dat gebouw van de Voedsel en Waren Autoriteit staat, lag een gigantisch autokerkhof. Er stond ook een aftandse caravan, en bij mooi weer liep er vanuit die caravan een lang snoer, en midden op trottoir stond dan zo'n grijs telefoontoestel. Daar zaten die
handelaren omheen. Een bijna vooroorlogse wereld, die je alleen nog kent van zwart-wit foto's. Bijvoorbeeld van Cas Oorthuis, of Ed van der Elsken. In Hokwerda's kind heb ik dat autokerkhof gebruikt, al verplaatste ik het naar Friesland."
In 1987 vertrok Oek de Jong van de Kadijken. "Ik kreeg last van het geluid. Het huis had dunne wanden en ook het lawaai van het vrachtverkeer dat al rond vijven 's ochtends op de Oosterburgergracht op gang kwam was hinderlijk. Ik had behoorlijk wat geld verdiend met Opwaaiende zomerjurken en Cirkel in gras, en heb een achterhuis op de Keizersgracht gekocht, bij de Noordermarkt."
We staan nog op de Hoogte Kadijk. Oek de Jong kijkt om zich heen. "Toch heb ik er wel eens aan gedacht hier weer te gaan wonen. Het is een nog steeds een mooie, en nu ook heel levendige buurt. En hier is het toch begonnen."

 
Op de Hoogtekadijk waaiden de zomerjurken op van  Theo Hakkert
Gepubliceerd: 21-09-2009 , Laatst bijgewerkt: 21-09-2009