Acht korte verhalen die blaken van het zelfvertrouwen.
door Drik-Jan Arensman
Moeilijk te geloven dat het alweer dertien jaar geleden is dat Nathan Englander (1970) debuteerde met Verlost van vleselijk verlangen (1999), de verhalenbundel die de Amerikaan, met zijn verbluffend rijpe mix van parabelachtige vertellingen uit de joodse traditie en zijn eigen(tijdse) zwarte humor, direct vergelijkingen opleverde met iedereen van Bernard Malamud en Saul Bellow tot Isaac Bashevis Singer.
'Onvergetelijk' is een te snel gebruikt woord. Maar wie destijds las over, pakweg, die Poolse joden die aan een concentratiekamp ontsnapten door vermomd als circusacrobaten op te treden voor Hitler, zal zich de verhalen herinneren alsof ze gisteren werden geschreven. (Eergisteren, hooguit.)
Een erg productief auteur bleek Englander na die droomstart niet. Zijn eerste roman, Het ministerie van buitengewone zaken, verscheen pas in 2007 en nu, weer vijf jaar later, is er zijn tweede verhalenbundel. Maar het resultaat is het wachten opnieuw meer dan waard.
Na dat fantasievolle epos over een joodse familie in het Argentinië van de jaren zeventig keert hij in Waar we het over hebben wanneer we het over Anne Frank hebben terug naar zijn oude liefde. Met acht korte verhalen die blaken van het zelfvertrouwen. Verhalen waarin hij, geestig, scherp en gedurfd nieuw licht werpt op vertrouwde thema's én op de absurdistische werkelijkheid van de hedendaagse staat Israël.
Het titelverhaal dat de bundel opent, leest als een joodse remix van Raymond Carvers klassieke verhaal What we talk about when we talk about love uit 1981 waarin twee echtparen aan een met ginflessen overladen keukentafel en in een steeds gespannener sfeer de liefde bespraken.
Bij Englander draait het om religieuze identiteit en de slagschaduw van de Holocaust.
De naamloze verteller en diens vrouw, Debbie, krijgen ook oude kennissen op bezoek: haar schoolvriendin Lauren en dier man Mark. Of, zoals ze tegenwoordig genoemd willen worden: Shoshana en Yerucham. Want viel Debbie van haar geloof, zij vertrokken na het eindexamen naar Jeruzalem en werden ultraorthodoxe joden - 'wat mij,' bekent de sarcastischevertelstem, 'als een vernieuwd schoonmaakmiddel in de oren klinkt: ORTHODOX ULTRA¨, nu nog geneeskrachtiger'.
Hier gaapt duidelijk een diepe cultuurkloof, die ze for old times sake krampachtig proberen te negeren. Beetje babbelen over vroeger, drankje en koosjere knabbels erbij. De oudtestamentisch uitgedoste gasten blijken zelfs grage blowers als de wiet van puberzoon Trevor op tafel komt. Maar het gaat al mis als Mark/Yerucham hen de les begint te lezen over Trevors 'wortelloze' jeugd en gemengde huwelijken als 'een nieuwe Holocaust'. En het wordt nog pijnlijker als ze het geheime gezelschapsspel van de door de Shoah geobsedeerde Debbie spelen 'de deugdzame Goj', ofwel: 'Bij wie zou je mogen onderduiken?' -, dat een verrassende verliezer kent.
De Tweede Wereldoorlog speelt ook een gewaagde rol in Kamp Avondschemer, waarin bejaarde overlevenden in een vakantiepark tot ontsteltenis van de idealistische recreatieleider wraak nemen op iemand die ze denken te herkennen als voormalig kampbeul. En na de hommage aan Carver duikt in Hoe we de Blums wreekten de geest van Philip Roth op (joodse suburbjongens binden de strijd aan met de buurtantisemiet) en doet Peepshow onweerstaanbaar denken aan Woody Allen, wanneer de afvallige joodse zakenman Allen Fein, als het loerluikje naar beneden gaat, geen stripper maar zijn rabbi, psychiater en moeder ziet zitten.
Englanders humor is steeds scherp en verrassend, zijn proza soepel en raak.
En dan hebben we het nog niet eens gehad over het sterkste verhaal, Zusterheuvels. In vier afdelingen schetst hij daarin beknopt de geschiedenis van een nederzetting in de bezette gebieden, met in het hart een fantastische allegorie. Eén van de pioniervrouwen 'verkocht' namelijk ooit haar zieke dochtertje symbolisch aan haar buurvrouw - wat het meisje volgens een bijgelovige traditie bescherming zou bieden. Decennia later eist de koopster, gek van rouw om haar eigen gesneuvelde kinderen, haar eigendom op. Want als dieeeuwenoude, Bijbelse claim op het Heilige Land nog geldig is, waarom hun overeenkomst dan niet? Het klinkt simpel, maar de uitwerking is subtiel en ontroerend.
Een hoogtepunt in een van begin tot eind meesterlijke bundel.