Wie geroerd werd door De eenzaamheid van de priemgetallen, moet nu naar de boekhandel rennen.
door Alle Lansu
Een jaar geleden verscheen het opzienbarende debuut van de Italiaanse schrijver Paolo Giordano (1982), De eenzaamheid van de priemgetallen. De roman maakte indruk door de combinatie van eenvoudige, precieze taal en de gedempte toon waarmee de jonge
schrijver de eenzaamheid van zijn personages voelbaar wist te maken.
Diezelfde eenvoud en verstilling zetten de toon in de roman van zijn landgenoot Andrea Bajani (1975), Wie houdt dan stand? In deze in Italië luid bejubelde roman vertelt hij het verhaal van een aanvankelijk idyllische jeugd die al zijn glans verliest als de verteller zijn moeder onverhoeds met haar minnaar naar het buitenland ziet vertrekken. Op zijn achttiende krijgt Lorenzo, de ikverteller, het bericht dat zijn moeder is overleden.
In afwisselende hoofdstukken beschrijft Bajani nu eens Lorenzo's verblijf in Roemenië rond de begrafenis van zijn moeder en zijn ontmoetingen met de belangrijkste mensen uit haar leven, dan weer zijn herinneringen aan de tijd dat hij zijn moeder nog bij zich had en de periode waarin de contacten steeds spaarzamer werden.
Een ijzersterke vondst van Bajani is dat hij Lorenzo dit hele verhaal consequent aan zijn overleden moeder laat vertellen, alsof hij haar postuum verslag wil doen van zijn vreugde over hun vroegere band, zijn eenzaamheid na haar vertrek, en hoe hij tijdens zijn verblijf in Roemenië bij stukjes en beetjes steeds meer te weten is gekomen over het leven dat zij daar in de verte heeft geleid. Met deze vorm creëert Bajani een intimiteit en directheid waar je als lezer niet onberoerd onder kunt blijven.
Lula, de moeder, is mede-eigenaar van een onderneming die wereldwijd een eigen uitvinding verkoopt: het afslankei, een soort zweethut in de vorm van een groot ei. Dat haar compagnon meer dan een compagnon is, wordt subtiel gesuggereerd in de observaties van de jonge Lorenzo die wel aanvoelt dat hier sprake is van een ongewone intimiteit. Toch komt hun vertrek naar Roemenië (na de val van het communisme een gewild lagelonenland) tamelijk abrupt, zeker in het licht van de hechte band tussen moeder en zoon.
Lorenzo en zijn stiefvader blijven verdoofd achter. Bajani verbeeldt de ontwrichting van Lorenzo's leven in een van zijn vele verstilde scènes. Als Lula na een paar weken opbelt, roept Lorenzo zijn vader en neemt diens werk in de tuin over: 'Ik begon te zingen onder het bladeren vegen, alsof ik niet wilde horen wat jullie elkaar te zeggen hadden. Het was de eerste keer dat je tegen me had gezegd Roep Emilio even, en niet Roep papa even. Zoals hij vanuit het niets mijn vader was geworden, zo was hij vanuit het niets opgehouden dat te zijn. En toen het telefoongesprek was afgelopen en hij weer naar buiten kwam, was hij ook voor mij Emilio geworden.' Als Lula in de loop der jaren alleen nog met kerst iets van zich laat horen, zorgt dat voor een nieuwe band: 'En zo werden papa en ik, die tot op dat moment niet wisten wat we met elkaar aanmoesten, handlangers in iets wat te maken had met minachting voor jou.'
Tijdens zijn verblijf in Roemenië ontdekt Lorenzo met de nodige schroom hoe eenzaam zijn moeder de laatste jaren is geweest. Nadat ze door haar minnaar is ingeruild voor een jong dingetje heeft ze haar leven laten verloederen. Haar chauffeur vertelt hem hoe ze op het punt heeft gestaan om terug te keren, maar niet de moed had om hem onder ogen te komen. Dan begrijp je als lezer dat dit aan zijn moeder geadresseerde relaas een postuum gebaar van vergeving is van een zoon die het gevoel van verraad en de minachting voorbij is, waarmee ook de aan Psalmen ontleende titel verklaard is: 'Als u de zonden blijft gedenken, Heer, wie houdt dan stand?'
Wie geroerd werd door De eenzaamheid van de priemgetallen, moet nu naar de boekhandel rennen.