In het tweede deel van de biografie van Reve vertelt Nop Maas opnieuw een meeslepend relaas. Met als schokkendste nieuwe feit dat Reve geprobeerd heeft zijn op sterven liggende vader te doden.
door Jos Bloemkolk
Nop Maas, de biograaf van Gerard Reve, had bij het schrijven van deel twee het nadeel dat veel meer van dat leven algemeen bekend was. Reves leven kwam in die periode (1962-1975) veel vaker in de openbaarheid en hij beschreef zijn eigen leven in die tijd in literaire, slechts zeer gedeeltelijk fictieve brievenboeken en in brievenboeken die later werden samengesteld uit zijn correspondentie. De lezer die altijd al in Reve geïnteresseerd was, weet nu veel meer dan bij het lezen van deel 1.
Dat wil niet zeggen dat die lezer niets nieuws leest. De bekende feiten en commentaren daarop van Reve zelf krijgen veel meer reliëf en er zijn veel nieuwe feiten. Dat varieert van het detail dat Reve en Teigetje, toen zij door het middenpad de Allerheiligst Hartkerk verlieten, hand in hand liepen omdat Teigetje uit ijdelheid zijn bril niet droeg en dus gidsing nodig had, tot het grote en schokkende feit dat Reve heeft geprobeerd zijn vader te doden.
In de voorpubliciteit bij deel 1 was Reves vrijwel onbekende, jeugdige liefdesrelatie met Tine Fraterman een belangrijk verkoopargument. Dat had de aanslag op het leven van zijn vader ook kunnen zijn, ware het niet dat het als onkies zou worden ervaren een dergelijk feit als reclame te gebruiken. Maar een feit is het. Reve heeft er in twee ongepubliceerde en niet in enig openbaar archief opgeslagen brieven op volstrekt geloofwaardige wijze over geschreven. Dit is geen bluf of een uit de lucht gegrepen mededeling. Dit is authentiek.
De lezer die alles van Reve wil weten, veert al op bij dat 'ongepubliceerde'. (Ook in dit tweede deel zal dat die lezer vaker overkomen.) De gebeurtenis aan het ziekbed van vader Van het Reve in 1974 staat beschreven in een brief uit 1985 aan de zenuwarts R. Agema en in een brief uit 1992 aan Rudolf van den Berg, de regisseur van de film De avonden.
In de brief aan R. Agema beschreef Reve zijn daad uitgebreid. Het is een lang citaat, want waarom zou je proberen na te vertellen wat al zo onontkoombaar door de hoofdpersoon zelf is geformuleerd?
Reve: 'Op den duur - dat kon eenvoudigweg niet anders - begon ik hem te haten. Hij ontkende de tragiek van het leven, en verkondigde luidkeels dat de dood in het geheel geen probleem was. Maar nooit in mijn leven heb ik iemand zich zo panies, zo fanatiek, zo met mobilisatie van al zijn wilskracht, zien verzetten tegen de Dood. Zeker een half dozijn keren zaten we aan zijn sterfbed, maar telkens ging het toch weder niet door. De Dood was een belediging, die hij niet ten aanschouwe van anderen wilde ondergaan: hij stierf tenslotte geheel alleen. Ik werd van dat herhaalde sterfbedtheater op den duur razend van woede, bijna door het dolle heen. De vierde of vijfde keer was ik even alleen met hem. Ik kreeg toen peppillen (amfetamine). Ik diende hem er snel een flink aantal toe, en liet ze hem met een glas water inslikken, hem vertellende dat ze goed voor hem waren. (Hij was toen reeds flink dement.) Ik dacht dat zal het hart wel flink opjagen, tot de boel uit elkaar vliegt. Maar mis hoor: er gebeurde helemaal niets. God schijnt het toch, wat tijd en plaats betreft, voor het zeggen te
hebben. Ik heb dit, van die pillen, nog nooit aan iemand verteld, en ook nooit gebiecht, terwijl het misschien toch wel een zonde is. Ik dacht als je nog één volgende keer niet doodgaat, dan sla ik je de hersens in.'
Reve botste met zijn vader en beschreef die onverenigbaarheid van karakters in een wel gepubliceerde brief (aan Joseph Cals): 'Ik heb nooit ergens met hem over kunnen praten, omdat hij alles altijd wist, boven iedere twijfel uit, en de ander zijn mening was niet alleen volstrekt onjuist, maar daarbij nog belachelijk, imbeciel en verachtelijk.' Nop Maas schrijft dat hierin meer zelfportret zat dan Reve zich bewust was. Reve was zich er blijkens veel andere citaten goed van bewust dat hij een maniakale, egocentrische persoonlijkheid had.
Dit tweede deel, De 'rampjaren' (een kwalificiatie die Maas van Reve overnam), beslaat de periode waarin Reves bekentenisliteratuur tot volle wasdom kwam en leidde tot de status van bestsellerauteur, en waarin hij een nationale figuur werd die bij allerlei incidenten en controverses betrokken was.
Reves beroemdheid in die periode valt onder veel meer af te leiden uit de bezorging van de post ondanks de krakkemikkigste adresseringen. Zelfs de aanduiding 'Huize Albarda Friesland' was genoeg om de post te laten aankomen in de woonplaats van Reve en zijn vriend Willem 'Teigetje' van Albarda, Greonterp. Hij kwam met ongekende vrijmoedigheid uit voor zijn homoseksualiteit, hij werd lid van de
Room-katholieke kerk, hij deed als zeer rechts bestempelde uitspraken, hij bedreef in geschrifte de liefde met God in de gedaante van een eenjarige, muisgrijze ezel, zodat hij zich moest verdedigen in een proces wegens godslastering, en hij deed uitspraken waarmee hij de verdenking van racisme op zich laadde genoemd. Gerard Kornelis van het Reve was vrijwel permanent aanwezig in de media, al was het maar
wegens een handgemeen in een Veenendaalse supermarkt.
Al die roem en al die conflicten, die hij zelf zocht en waarvan hij ook kon genieten, leidden ook tot verwarring en depressies. Hij dreigde aan drank en andere middelen ten onder te gaan. In de liefde vond Reve nauwelijks bevrediging. De relatie met zijn grote liefde tot dan toe, Teigetje, liep ten einde en Teigetjes plek werd ingenomen door een eindeloze rij jonge minnaars. Daaraan kwam pas een einde, toen Joop Schafthuizen, als fraai slot van dit tweede deel, zijn intrede deed in het leven van Reve.
Het belangrijkste voor zijn lezers was: Reve schreef briljant proza, dat uitsteeg boven het proza van alle andere schrijvers en dat enorme invloed had. Maas citeert Renate Rubinstein, die al in 1964 naar aanleiding van de verschijning van Op weg naar het einde in Vrij Nederland wees op de besmettelijkheid van Reves schrijfstijl: 'Maandenlang kon men uit de bijdragen in tijdschriften en weekbladen opmaken op welke moment welke schrijver de brieven gelezen had. Niet altijd verried zich dit door het op tegelijk plechtige en brutale toon schrijven over masturbatie, de Heilige Geest of het verliezen van dingen in de trein; vaker nog was het af te leiden uit zulke kleinigheden als Campert zijn boek, oftewel Van het Reve zijn genitief.'
Rob Touber, de tv-regisseur van De Grote Gerard Reve Show, schreef brieven aan Reve waaruit totaal epigonisme spreekt: 'Hoe gaat het met de last, die God je als dagelijkse gesel heeft gezonden: de door mij voorheen nog bij niemand geobserveerde ongehoorde bronstigheid? Voltrek je het Wonder 7 maal daags met de hand.'
Reve had meer dan één gezicht. Hij was een betrokken zielenherder, als hij serieus reageerde op brieven van homoseksuelen die met zich zelf overhoop lagen, hij was op andere momenten een geweldige grappenmaker, maar hij kon ook een nietsontziende, gewelddadige, rabiate idioot zijn. Dat laatste is hij, wellicht door de inbeelding veroorzakende roem, in dit deel meer dan in het vorige.
Maas geeft daar ook vaker commentaar op ('onthutsend') of put commentaar uit de brieven en dagboeken van Reves ex-echtgenote Hanny Michaelis, die een scherp inzicht had in Reves karakter.
Dit tweede deel is, ondanks de grotere bekendheid van de inhoud, even meeslepend als het vorige.