Grote thema's, maar de Noor Jon Fosse mijdt de grote woorden. Hij houdt het klein en licht. En hij durft te herhalen.
door Alle Lansu
Weinig schrijvers weten een eenvoudig gegeven met minimale middelen zoveel lading mee te geven als de Noor Jon Fosse (1959). Wereldwijd heeft hij inmiddels een reputatie opgebouwd als schrijver van verstilde toneelstukken waarin weinig gebeurt, maar des te meer wordt opgeroepen. Vanwege zijn minimale, muzikale poëzie was hij vorige week eregast op Poetry International. En zojuist verscheen zijn novelle Slapeloos. Het is het tweede prozawerk van Fosse dat hier in vertaling verschijnt na de roman Ochtend en avond, een vertelling waarin de ochtend de geboorte en de avond de dood verbeeldt en waarin de schrijver belicht wat daartussen van belang is geweest: liefde en vriendschap. Grote thema's, maar Fosse mijdt de grote woorden. Hij houdt het klein en licht.
Zo ook in Slapeloos, het verhaal over Asle en zijn hoogzwangere vriendin Alida, beiden zeventien jaar, die op een koude herfstavond door de straten van het Noorse kustplaatsje Bj¿rgvin zwerven op zoek naar onderdak. Overal worden ze afgewezen, vermoedelijk door hun minderjarigheid in combinatie met Alida's zwangerschap. Tussendoor vertelt Fosse het verhaal van hun afkomst, hoe ze elkaar hebben leren kennen en hoe ze dakloos zijn geworden.
Dat Fosse uit dit eenvoudige gegeven een adembenemende novelle heeft weten te smeden, heeft alles te maken met zijn unieke vertelprocédé. Hij is om te beginnen een minimalist: hij gebruikt een minimum aan leestekens en presenteeert zijn dialogen zonder aanhalingstekens.
Verder bedient hij zich veelvuldig van de herhaling, waar hij vaak kleine variaties op maakt. Om vaart te geven aan de vertelling bedient hij zich soms schaamteloos van de 'en dan'-vorm. Met deze eenvoudige middelen creëert Fosse een ritmische cadans in de tekst die op de lezer al snel de uitwerking heeft van een even betoverende als meeslepende roes. Hij maakt muziek van de taal. Nu eens luister je als het ware naar de nocturnes van Chopin, dan weer naar de cellosuites van Bach.
Als tegenhanger van de troosteloze zoektocht van Asle en Alida herneemt Fosse tot drie keer toe het verhaal van de eerste, beslissende ontmoeting tussen twee tieners die elkaar alleen vanuit de verte kenden, waarbij hij elke keer weer wat uitgebreider verslag doet, en steeds schaamtelozer wordt in zijn lyriek. En het was juist in die passages dat de vergelijking bij me opkwam met de meest swingende cellosuites van Bach.
Hun eerste overrompelende ontmoeting vindt plaats op een bruiloft waar Asle op de viool speelt en Alida met zijn spel betovert. Fosse beschrijft dat zo: 'en hij zet alles op alles en hij speelt en hij speelt en dan vindt hij het punt waarop het spel zich verheft en dan zweeft het spel ja, ja, ja het zweeft ja en dan hoeft hij niet meer alles op alles te zetten, dan zweeft het spel helemaal vanzelf en speelt het zijn eigen wereld en iedereen die kan horen, hoort het en Asle kijkt op en daar ziet hij haar staan, daar staat ze, daar ziet hij Alida staan, daar staat ze met dat dikke zwarte golvende haar en met die donkere ogen. En zij hoort het. Zij hoort het zweven en ze zweeft mee. Ze staat stil en ze zweeft. En dan zweven ze samen, nu zweven ze samen, zij en hij. Alida en Asle.'
Je moet het maar durven, en Fosse durft het. En hoe romantisch ook, toch bedient hij zich hier eigenlijk van heel sobere middelen om een des te ontroerender evocatie van geluk en verliefdheid te geven.
Ik kan bijna niet wachten om nog veel meer van deze schrijver te lezen. Bij deze roep ik uitgeverij Wereldbibliotheek op om in versneld tempo de schatkamer van Jon Fosse te ontsluiten.