Meindert Fennema schrijft politieke biografie van Geert Wilders. Fennema psychologiseert niet, maar zijn weergave van de feiten suggereert dat Wilders zich door die elite afgewezen voelt: hij wordt gepasseerd voor het vice-fractievoorzitterschap van de VVD en het staatssecretariaat van Sociale Zaken.
door John Jansen van Galen
Het beeld van Den Haag als slangenkuil dringt zich op waar in dit boek beschreven wordt hoe Geert Wilders op het punt staat de VVD-fractie te verlaten en van partijleiders Gerrit Zalm en Jozias van Aartsen een kwartier krijgt om zijn persconferentie daarover voor te bereiden. Als Zalm het vertrek verlaat drukt hij Wilders steels een knipsel in de hand: "Hier, doe er je voordeel mee!” Het blijkt een oud interview waarin Van Aartsen ooit hetzelfde standpunt verkondigde waarvoor Wilders nu de fractie moet verlaten: Turkije mag geen lid worden van de Europese Unie. "Wilders was verbouwereerd,” schrijft Meindert Fennema, "zelfs nu leek Zalm Van Aartsen nog een hak te willen zetten.”
Kun je een biografie schrijven van een levende hoofdpersoon, als die niet bereid is er medewerking aan te verlenen? Recente gevallen (Job Cohen, Nina Brink) bewijzen dat het kan maar ook wat de risico's zijn: de biograaf kan zijn bevindingen niet toetsen aan reacties van zijn personage en begeeft zich op drijfzand als hij diens overwegingen wil weergeven. Fennema beschrijft telkens wat Wilders 'voelt', 'vindt', 'denkt' of waarover hij 'verbouwereerd' is.
Begin 2010 staan raadsverkiezingen voor de deur en 'diep in zijn hart wist Wilders dat hij het nog heel moeilijk zou krijgen.' Hoe wéét de biograaf dat?
Hij interviewde 34 mensen voor zijn boek, maar Wilders niet. Volgens zijn Verantwoording kon Fennema diens gedachten op den duur 'bijna raden,' maar bij het schrijven van het boek is dat 'bijna' kennelijk vervallen.
Het toppunt in dit raadsel is dat Wilders' echtgenote Krisztina zich afvraagt of Geerts radicalisering 'niet ook een pathologische kant' heeft. Wel 'bewondert' zij zijn 'vasthoudendheid' maar ze 'meent bij hem ook een zekere mate van narcisme te ontwaren': hij lijkt 'verslaafd' aan 'de spanning, het risico, de aandacht'? Opnieuw: hoe weet Fennema dit?
Krisztina hoort evenmin tot zijn informanten. Misschien dat intimi van het echtpaar hem dit influisterden, maar dan moet hij dat vermelden, zodat de lezer het op zijn waarde kan schatten.
De politicoloog Fennema, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, schreef een politieke, geen persoonlijke biografie. Over de jeugd van de jonge, nog ongeblondeerde Geert vernemen wij niets. Zijn Indo-achtergrond wordt alleen terloops vermeld, zijn 'affairettes' slechts aangestipt. Maar Wilders' politieke loopbaan wordt grondig uit de doeken gedaan, aan de hand van een intensieve mars door de archieven die Rosanne Goderie als assistente van de biograaf ondernam. Wie Wilders' Werdegang wil leren kennen aan de hand van zijn redevoeringen, artikelen en acties kan bij dit boek terecht.
Tovenaarsleerling luidt de ondertitel. De bedoelde tovenaar is Frits Bolkestein onder wiens fractievoorzitterschap Wilders zijn politieke carrière begon als fractiemedewerker voor sociale zekerheid, waarin hij eerder werkzaam was en zich gaandeweg steeds meer ging ergeren aan het handjeklap van werknemers- en werknemersorganisaties. Het poldermodel is hem dan al een gruwel. In Bolkestein als 'buitenboordmotor' van Paars bewondert Wilders diens onverschrokkenheid, bondige rechtstreeksheid en onverschilligheid voor kritiek van de linkse kerk.
Zo wil hij zelf de buitenboordmotor van Rutte I worden. Wat hij Bolkestein echter kwalijk neemt is dat hij tot de Haagse elite blijft behoren.
Er hebben zich wendingen voorgedaan in Wilders' politieke ontwikkeling: inzake de rechten van minderheden in Oosteuropa is hij aanvankelijk 'overtuigd multiculturalist,' na de aanslagen van 11 september 2001 keurt hij Pim Fortuyns kruistocht tegen de Islam nog af, voor de sociale voorzieningen bepleit hij eerst afslanking tot een 'basisstelsel' – om, nu hij de gewone, hardwerkende Nederlander heeft ontdekt, de bestaande sociale verworvenheden te verdedigen. Maar de voornaamste wending is dat hij sinds maart 2005 in de politieke elite en zijn morele falen de hoofdoorzaak van alle Nederlandse problemen is gaan zien.
Fennema psychologiseert niet, maar zijn weergave van de feiten suggereert dat Wilders zich door die elite afgewezen voelt: hij wordt gepasseerd voor het vice-fractievoorzitterschap van de VVD en het staatssecretariaat van Sociale Zaken. Als fractiemedewerker – een bekwaam, noest werker, niet briljant – moet hij zich de mindere hebben gevoeld van golden boys uit de Randstad (Robin Linschoten, Hans Hoogervorst, Frank de Grave) en als Kamerlid merkt hij dat zijn geestverwante Hirsi Ali als intellectualistische jongedame gemakkelijker toegang heeft tot die elite dan een Limburgse jongen.
Hij gaat zich steeds meer identificeren met Henk en Ingrid.
Vormvast is deze biografie niet. Het relaas waaiert uit naar Fortuyn, Hirsi Ali en Rita Verdonk zodat de hele Nieuwe Rechtse Voorhoede van Nederland in beeld komt, wordt een onderbroken door een (verhelderend) essay over vrijheid van meningsuiting. Op dat punt nam Fennema het vaak publiekelijk vurig voor Wilders op, zodat ik dezer dagen soms de vraag hoorde stellen of hij (overigens duoraadslid voor GroenLinks in Heemstede) wel de aangewezen man is om als objectief buitenstaander diens biografie te schrijven. Maar doorgaans onthoudt de biograaf zich van oordelen en waar dat niet zo is vallen ze niet altijd in het voordeel van Wilders uit.
Zo mondt een nauwgezette reconstructie van de Fitna-affaire uit in de vaststelling dat inzake zijn dreigement in beeld de Koran te verscheuren het gelijk aan de kant is van Hirsch Ballin en niet van Wilders, die zich door deze minister 'belazerd' achtte.
Wel vindt Fennema dat Hirsch Ballin en minister Guusje Ter Horst in deze zaak onzorgvuldig zijn omgesprongen met het staatsrecht en Wilders' veiligheid. De zware beperkingen waaraan zijn (en Krisztina's) bewegingsvrijheid door de doodsbedreigingen dag en nacht onderworpen is beschrijft de biograaf enige malen indringend. In zijn Verantwoording verheelt hij niet dat hij daardoor 'niet ontkomt aan een gevoel van sympathie met het slachtoffer'.