Overigens kun je je afvragen wat dit oordeel waard is als je leest dat de nu zeventigjarige schrijver nog steeds boos op zijn ouders is omdat ze hem in 'de leugen' Sinterklaas lieten geloven.
door Hans Renders
Theo Kars werd in 1967 op slag berucht omdat hij in zijn debuut, De vervalsers, precies uit de doeken deed hoe hij met enkele vrienden de Rijkspostspaarbank had opgelicht. Van dat geld had hij onder meer het literaire tijdschrift Tegenstroom opgericht. In het zesde nummer stond open en bloot dat het blad werd opgeheven omdat één van de redacteuren in de gevangenis zat.
Daarover zullen we in deel twee vast nog meer lezen. In de herinneringen die Kars nu publiceert, tot 1964, neemt hij overigens ook geen blad voor de mond. Met een mengeling van bravoure en humor vertelt hij over zijn benepen ouderlijke milieu. Op zijn streng gereformeerde vader keek hij neer en zijn moeder vond hij 'even dom als leep'. Overigens kun je je afvragen wat dit oordeel waard is als je leest dat de nu zeventigjarige schrijver nog steeds boos op zijn ouders is omdat ze hem in 'de leugen' Sinterklaas lieten geloven.
Kars moest al vroeg iets verzinnen om zich van zijn ouders te distantiëren. Het werd lezen. Dankzij het lezen, al vroeg in het Engels en vooral het Frans, vond hij de kracht om het geloof af te zweren en vooral een hedonistische levensfilosofie te ontwikkelen. Van een half Frans half Italiaans meisje hoorde hij dat zijn ideeën veel leken op die van Henry de Montherlant, zoals beschreven in Les jeunes filles. De Montherlant houdt er allerlei opvattingen op na die, hoewel ze soms ironisch zijn, kunnen worden gelezen als instructie over de manier waarop je met meisjes moet omgaan. Maar nog beter lesmateriaal haalde hij uit de dagboeken van Casanova.
De rokkenjager Casanova had de kunst van het verleiden tot levensmotto verheven. En je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat Kars zich graag met Casanova identificeerde. Dat zij hem vergeven, want vriend en vijand zijn het erover eens dat hij die dagboeken in twaalf delen
voortreffelijk heeft vertaald. Zoals hij ook een grote naam heeft als vertaler van Stendhal en Marguerite Yourcenar.
Net als Casanova komt Kars immer in problemen waarvan je je op de een of andere wijze niet kunt voorstellen dat ze problemen zijn. Hij wordt huiswerkbegeleider in een internaat waar alleen mooie meisjes wonen. Hij wordt uitgenodigd via een touw het balkon van zijn geliefde te beklimmen, en altijd is er weer een moeder of zus die hem van een galant avontuur afhoudt. Maar als een erotisch avontuur zich wel aandient, vindt Kars het weer te gemakkelijk, omdat zijn jagersinstinct niet wordt bevredigd.
Ondertussen zit hij nog steeds met zijn ouders opgescheept, die maar blijven klagen dat ze voor zijn opvoeding 'krom moeten liggen'. Kars vroeg zich hooghartig af hoe je in zo'n houding (kromliggend) de kost kunt verdienen. Hij worstelde zelf ook steeds met de vraag hoe hij aan geld moest komen. Zo gauw hij in Utrecht en later in Amsterdam gaat studeren, vindt hij de oplossing: boeken stelen.
Hij maakt er met een vriendin een professioneel handeltje van. Vooral de dundrukuitgaven van Van Oorschot en de kleine Pléiade-deeltjes van Gallimard leenden zich uitstekend voor diefstal en een snelle doorverkoop.
Kars is in alle opzichten een selfmade man. Hij vertrouwt op zijn eigen radar en heeft voor elke situatie een theorie bij de hand die hem voorschrijft hoe hij moet handelen. Op die manier weet hij hoe vrouwen reageren op seksuele prikkels en kan hij leugen van waarheid onderscheiden. Met de literaire wereld heeft Kars niet veel op. Maar een paar contacten met schrijvers en journalisten legde hij wel. Nadat hij eerst een vriendin had aangezet Henk Hofland geld af te troggelen, werd die laatste zijn vertrouweling. Willem Frederik Hermans abonneerde zich begin jaren zestig op Tegenstroom en Kars bracht zelfs een bezoek aan hem.
Voor de literatuurgeschiedenis is het wel aardig hier te
lezen dat Kars al eerder tijdschriftredacteur was geweest. Zijn leraar Nederlands vroeg hem hoofdredacteur te worden van het schoolkrantje Reflector, een uitgelezen kans in het openbaar zijn bewondering te uiten voor de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Hij bracht dat schelden maar meteen in praktijk door de spot te drijven met 'een zekere Wim Hazeu', die in diezelfde schoolkrant een gedicht had
gepubliceerd. 'Wat mij stoorde aan dit gedrocht was de aanstellerige braafheid die ervan afdroop.' De schoolleiding onthief hem na dit ene nummer onmiddellijk van zijn hoofdredactionele taken en Hazeu werd een toonaangevend schrijver, uitgever en biograaf.