Riika Pulkkinen krijgt het voor elkaar dat een geoefende lezer bijna niet verder durft te lezen.
door Alle Lansu
Sinds De eenzaamheid van de priemgetallen van Paolo Giordano heb ik niet meer zo'n verbluffend sterke debuutroman gelezen als De grens van de jonge Finse schrijfster Riika Pulkkinen (1980).
In deze roman over grenzen en geheimen worden twee verhaallijnen vernuftig vervlochten en gespiegeld, en laat Pulkkinen niet alleen zien wat ze als schrijfster in haar mars heeft, maar geeft ze tegelijkertijd blijk van een vroegwijze visie op leven en dood.
De twee belangrijkste personages worden in het begin van de roman geportretteerd als ze zich precies op de grens tussen leven en dood bevinden, letterlijk en figuurlijk. Anja, een 53-jarige hoogleraar literatuur, doet een halfslachtige zelfmoordpoging tot ze net op tijd beseft dat ze een taak heeft: haar man helpen sterven die aan alzheimer lijdt en die sinds twee jaar in een verpleeghuis woont. Die belofte heeft ze hem gedaan toen hij haar in totale ontreddering smeekte: "Zo kan ik niet verder leven. Red me. Dood me." Nu er van zijn geheugen nauwelijks nog iets over is, is het moment aangebroken om haar belofte na te komen.
De hele roman lang worstelt ze met de uitvoering, omdat ze die grens niet over kan. Ondertussen herinnert ze zich de eerste tekenen van zijn alzheimer en zijn we getuige van haar bezoeken aan haar man die steeds hulpelozer ronddoolt. Pulkkinen laat op hartverscheurende wijze zien hoe de man aanvankelijk zijn geheugenverlies probeert te maskeren. Anja's ontdekking van zijn 'gedenkschrift' met een bladzijde gewijd aan 'Mijn echtgenote' komt voor de lezer als een stomp in zijn maag: 'Onder die titel staat Anja's volledige naam, geboortedatum, wat ze gestudeerd heeft, het onderwerp van haar proefschrift en haar titel, hoe lang ze al getrouwd zijn, wanneer ze elkaar voor het eerst hebben ontmoet, haar lievelingseten en -films, haar favoriete literatuur. Alle zaken die een mens in zijn geheugen hoort mee te dragen, waaraan je jezelf niet zou hoeven herinneren.'
De zestienjarige Mari leren we kennen als een pubermeisje dat zichzelf in haar arm kerft om te voelen dat ze leeft en 'gewoon om de nabijheid van de dood te voelen'. Denken aan de dood is voor haar 'een spelletje. Natuurlijk wil ze niet écht sterven, meestal tenminste.' Ze bloeit helemaal op als ze verliefd wordt op haar leraar Fins, de 29-jarige Julian, en de aantrekkingskracht wederzijds blijkt. Julian, een getrouwde man met twee jonge kinderen, bagatalliseert deze verliefdheid op zijn briljante leerlinge aanvankelijk als 'gewoon onschuldig vermaak, niet meer dan een verzetje om de dagelijkse sleur wat kleur te geven.' Maar al snel wordt de grens van het platonische overschreden.
Voor Julian is zijn futloos geworden huwelijk 'een soort verzachtende omstandigheid'. Mari geniet ondertussen ongegeneerd van deze verhouding en van de sensatie dat een volwassen man háár wil, ja, haar zelfs in de kerstvakantie meeneemt naar zijn buitenhuis: 'Ze voelt zich volledig, voor het eerst in haar leven bestaat ze, overduidelijk. Ik ben hier, denkt ze. Ik ben ik.' Deze dagen, grenzeloos qua lichamelijkheid, markeren tegelijkertijd het begin van het einde, als Julian, verteerd door schaamte en schuld, besluit dat het afgelopen moet zijn. Dan krijgen Mari's spelletjes met de dood een nieuwe dimensie: 'Misschien is het onvermijdelijk dat een spel ernst wordt, werkelijkheid wordt.'
Pulkkinen krijgt het voor elkaar dat ik als geoefende lezer vanaf dat moment in de roman bijna niet verder durfde te lezen. Ze weet je in de loop van haar roman zo emotioneel te betrekken bij de lotgevallen van haar personages dat je de neiging hebt jezelf gerust te stellen met het besef dat het allemaal fictie is.
Deze jonge Finse schrijfster toont zich in haar debuutroman niet alleen ongelooflijk trefzeker in de opeenvolging van sterke scènes, maar maakt vooral indruk door haar inlevingsvermogen in de belevingswereld van haar personages. Dat geeft haar roman een zeldzame emotionele kracht. Alleen een ijskonijn blijft hier onberoerd onder.