TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen

TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen | 'Zijn ziekte dwingt hem tot poëzie'

tip!

'Zijn ziekte dwingt hem tot poëzie'  

door Theo Hakkert
foto Wonge Bergmann

 ‘Ik kan niet altijd op mijn hoede zijn. Ik weet dat mijn demente vader momenten heeft dat hij zich van zijn ziekte bewust is. Droom ik even weg, dan kan het zijn dat hij opeens zegt: ‘Ik ben niets meer’ of, zoals laatst ‘Mijn God, waarom heeft u mij verlaten?’ Dan moet ik mezelf bijeen rapen. Met een brok in de keel moet ik me dwingen daar niet in mee te gaan. Bevestig ik zijn woorden, dan zou het verergeren.‘

Hij heeft je niet verlaten’.
‘Geloof je dat?’
‘Zeker, vader!’
‘Wat kan ik doen?
‘Ga maar lekker zitten, ontspan en geniet van het moment.’'
Dan zegt hij: ‘Dat is ook een oplossing.’ En dan gaat het wel weer. Soms zegt hij er achteraan hij een arme kerel is.” 

Arno Geiger (43) heeft een fijne plek uitgezocht. Het café in Wenen is oud, maar zit vol jonge mensen die rustige gesprekken voeren. Geen muziek. Alleen zo nu en dan het geluid van een krakende traptrede. Nergens belemmeringen voor een gesprek over zijn vader, August Geiger (85), die aan dementie lijdt. De Oostenrijker Arno Geiger schreef er het even openhartige als berustende boek De oude koning in zijn rijk over. In Duitsland werden er 400.000 exemplaren van verkocht. “En daar stond dan dit behoedzame boek tussen de vampierromans”, zegt Geiger met een besmuikte glimlach. Hij was en is romanschrijver. Succesvol ook. Arno Geiger won in 2005 de Deutsche Buchpreis voor Met ons gaat het goed.

En nu is er dit non-fictie boek. ‘Roman’ staat op het Nederlandse omslag, maar dat is het niet. “We hadden al langer in de gaten dat het niet goed ging met vader. Rond 2005 besefte ik dat ik er ooit over wilde schrijven. Ik ben een dagboek gaan bijhouden. Ik wilde over hem schrijven toen hij er nog was.”
Over de dementie van zijn vader, kon dat wel? “De maatschappij mag van schrijvers verwachten dat ze schrijven over wat voor hen het belangrijkste is. De vraag was: mocht ik het van mezelf? Ik kon me alleen zelf toestemming geven.”

Wel gaf hij het zijn moeder te lezen. Hij ontkwam er niet aan een hoofdstuk te schrijven over het mislukte huwelijk van zijn ouders. “Ze zei: ‘Goed gedaan, Arno, zo is het, doe het maar zo’. Toen konden mijn broers het me niet meer moeilijk maken.”

Al vroeg in het boek beschrijft Geiger hoe zijn vader thuis, in zijn huis in het Oostenrijkse dorp Wolfurt, in de kamer zit en plotseling roept dat hij naar huis wil. Hij herkent zijn eigen, vertrouwde omgeving niet meer.“Je kunt zeggen dat iedereen die de ziekte heeft dement is op zijn eigen manier, maar dit symptoom komt bij bijna iedereen voor. Ik heb het zo uitgelegd. Mijn vader weet hoe het er thuis uitziet. Maar dit kan niet thuis zijn, dit zijn slechts dezelfde meubels. Hij voelt zich niet goed. En omdat hij zich niet goed voelt, kan dit thuis niet zijn. De ziekte neemt hem het gevoel van zekerheid en geborgenheid af. Het ziet er weliswaar uit als goed, maar deze wereld klopt niet. De wens naar huis te gaan richt zich niet tegen het huis, maar tegen de ziekte. De ziekte is de vijand.”

Om vader ervan te overtuigen dat hij echt thuis was, toonden ze hem ooit het straatnaambordje en het huisnummer, die hij nog herkende. Waarna hij zei dat iemand die had gestolen en daar had opgehangen. “Ondanks zijn ziekte is hij gevat. Daar lach ik dan om. Lachen moet. Niet om hem, maar met hem. Dit is nu eenmaal de stof waar het leven van is gemaakt. Van slapstick tot realisme. Het is ook bevrijdend, anders zou je het niet uithouden. Ook in het meest verschrikkelijke is nog humor mogelijk. Ik ben van mening dat mijn vader geen medelijden behoeft maar medeleven.”

Dat vader Geiger zijn eigen woning niet herkent is des te pijnlijker gezien zijn voorgeschiedenis. Met tegenzin werd hij tijdens de oorlog op 17-jarige leeftijd naar het front gestuurd. Hij is na afloop terug gelopen. Onderweg liep hij dysenterie op. Hij wist het te halen. Waarna hij nooit meer van huis weg wilde – om dat huis uiteindelijk niet meer te herkennen.

“Dit heeft alles te maken met het milieu waarin hij is opgegroeid. Het katholieke boerenmilieu. Hij kwam, zoals we het nu zouden noemen, getraumatiseerd terug uit de oorlog. Dit trauma heeft voor hem er op een bepaalde manier voor gezorgd dat hij geborgenheid vond in de wereld van zijn afkomst. Het had ook anders kunnen uitpakken. Anderen kunnen daarna niet meer aarden en rennen rusteloos van hot naar her. Maar voor mijn vader geldt dat hij een bangelijk mens is. Al toen hij 17 was. Hij is zelden weggelopen, omdat hij een angsthaas is. Wilde hij al eens weglopen – wat veel dementen wel eens willen - dan vroeg hij iemand om mee te gaan.”

Tussen de verschillende hoofdstukken in heeft Arno Geiger korte dialogen en uitspraken van zijn vader genoteerd, die verrassend uit de hoek kan komen. “Ik hoor van veel mensen dat ze me benijden dat mijn vader zo veel spreekt. Dat is ook een groot geluk. Soms is hij dichterlijk zelfs. Maar dat is schijn, omdat hij omwegen door de taal zoekt om zich uit te drukken. Vaak dwingt de ziekte hem tot poëzie. Hij is alleen creatief in die zin dat hij moet zoeken omdat de directe weg hem niet ter beschikking staat. Ongewone formuleringen zijn uit nood geboren.”

Genezen zal het niet. Het zal steeds verder bergafwaarts gaan. Maar draaglijk is het. Ook voor de familie. Het boek getuigt van hun berusting. Arno Geiger en zijn broers en zus hebben hun leven zo weten in te richten dat zij mantelzorg kunnen verlenen. “Ik pendel. Elke maand ben ik één week bij hem. De anderen ook. De familie is hecht geworden. Soms is familie met onheil en pijn verbonden. Maar het kan een gezelschap zijn dat zich om de zwakste bekommert en dat is hier het geval. Bedenk wel: wij zijn met z’n vieren. Dit is geen doorsneefamilie meer. Dit kan. Alleen of met z’n tweeën gaat het niet.”

Jezelf wegcijferen is bovendien niet nodig. “Ook ik moet er oprechte levensvreugde aan hebben. Ik kan geen frustratie tonen, want dat voelt mijn vader en dat versterkt onmiddellijk zijn ziekte. Dan gaat het minder voor iedereen. Positief zijn, al het andere leidt tot een neerwaartse spiraal.”
Dus niet zeggen dat hij naar bed moet, maar vragen: ‘Wil je naar bed?’
“Niets verbieden. Niet tegenspreken. Ja brengt orde, nee brengt hem in de war.” 

Het hele dorp Wolfurt heeft het boek gelezen. “Wat je vooral ziet is dat mensen nu weten hoe ze met mijn vader moeten omgaan. ‘August is een bijzonder mens’, hoor je nu. Iedereen gaat weer onbevangen op hem af. Als iemand dement is weten mensen niet meer hoe ze hem of haar benaderen moeten. Nu stappen ze op hem af en slaan hem vriendschappelijk op de schouder. Hij voelt meteen aan wanneer iemand nerveus of onzeker is. Daar wordt hij zelf onzeker van. Maar een vrolijk gezicht is geweldig. Dan weet hij: het is goed, met mij is het niet slecht nu.”

Arno Geiger ontkent niet dat het moeilijk is geweest. En die momenten zijn er nog. “Natuurlijk was het een pijnlijk proces. Het begon toen ik eind twintig was. Ik wilde weg, dat wil je als je jong bent. Ik wilde niet terug. Maar ik heb hier meer geleerd dan ik daarbuiten ooit had kunnen leren. Lang was ik recalcitrant. Ik moest wachten tot alles tot rust kwam. Toen wist ik dat het goed was. Ik heb een heldere verstandhouding tot alles wat is gebeurd. Met mijn vader, met mijn familie. Iedereen heeft zijn plaats. Op een moment was het leven weer normaal. We hebben geaccepteerd dat dit ons leven is.”

 
'Zijn ziekte dwingt hem tot poëzie' van  Theo Hakkert
Gepubliceerd: 10-04-2012 , Laatst bijgewerkt: 10-04-2012

Extra info

Arno Geiger: De oude koning in zijn rijk. Vertaling: W. Hansen. 19,90  euro (geb.). De Bezige Bij