Het Rijksmuseum Twenthe komt – na de expositie Red Storm met kunst uit China - opnieuw met een grote internationale kunsttentoonstelling. Vier maanden lang zijn in Enschede een groot aantal abstracte werken van Amerikaanse kunstenaars te zien uit de jaren 1950 en 1960, de periode waarin de Verenigde Staten voor het eerst politiek en cultureel de wereld domineerden. Dat een dergelijke expositie in Twente wordt gehouden is in zekere zin een verrassing. Eindhoven ( Van Abbe Museum) of Amsterdam (Stedelijk) waren meer logische plekken. In die plaatsen was vijftig jaar geleden voor het eerst de grote vernieuwing in de Amerikaanse kunst van na de oorlog te zien. De aanwezigheid van belangrijke werken van Barnett Newman en Jackson Pollock in het Stedelijk Museum zou het logische aanknopingspunt zijn voor een vervolgtentoonstelling. Tot dat vervolg is het echter nooit gekomen. Niet in Eindhoven, niet in Amsterdam. Precies 44 jaar na de laatste tentoonstelling van Amerikaanse abstracte kunst is het dus Enschede waar de nog altijd fascinerende werken van kunstenaars als Stella, Noland en Judd worden getoond. Werken die - net als bij Red Storm afkomstig zijn uit de No Hero Foundation, een particuliere collectie hedendaagse en moderne kunst die het Rijksmuseum Twenthe vorig jaar in bruikleen heeft gekregen.
Na al die jaren is het nog steeds een bescheiden sensatie om de Amerikanen van toen terug te zien. De Enschedese expositie straalt iets uit van het optimisme van die dagen. De makers richten zich op de periode 1958- 1968, de periode waarin er na het abstract-expressionisme een tweede vernieuwingsgolf de Amerikaanse kunstwereld overspoelde. In plaats van de krabbelige, expressieve doeken van Pollock kwamen de koele, bijna zakelijk werken van wat de ‘ post- painterly abstraction’: schilderijen waarin de sporen van een persoonlijk handschrift op radicale wijze zijn verwijderd en het uitsluitend gaat om de zo zuiver mogelijke werking van geschilderde kleurvelden.
Rode draad in de expositie en de begeleidende catalogus vormen fragmenten uit recensies die Donald Judd, zelf kunstenaar en aanwezig op de expositie, in zijn rubriek ‘ In the Galeries’ schreef over zijn collega’s. Als kijker is het onthullend om die teksten te lezen. Soms is hij lovend, dan weer (zoals over Friedel Dzubas) kritisch en belerend. Anno 2010 treft echter nog steeds de radicaliteit van dit werk dat in de tijd gold als een tegenhanger van Pop Art. Nu, een halve eeuw later, ben je geneigd vooral datgene te zien wat beide stromingen bindt: hun gemeenschappelijke betekenis als icoon van het Amerika van de jaren ’60.
WAAR TE ZIEN?
Enschede, Rijksmuseum Twenthe, di-zo 11.00-17.00 uur (t/m 20 februari)