Zijn dood voltrok zich op dezelfde manier als zijn leven. In stilte. Zo maar op een dag in februari was hij er niet meer: Ben Akkerman (1920-2010), kunstenaar tegen wil en dank.
Zijn oeuvre is compact en klein. Iets meer dan honderd schilderijen en een paar honderd tekeningen. Gemaakt in een periode van ruim een halve eeuw in de woonkamer van zijn Enschedese woning, die al die tijd fungeerde als atelier. ’s Avonds, na werktijd, en soms in de lunchpauze was hij er bezig met zijn kunst. In zijn vrije tijd, want Ben Akkerman, misschien wel de grootste Twentse kunstenaar van na de oorlog, was tot zijn pensionering in 1982 gewoon ambtenaar van de gemeente Enschede.
„Het lijkt me vreselijk om je hele leven het idee te hebben dat je iets moet schilderen”, zei hij ooit in een interview. Ben Akkerman, de zoon van een steenhouwer uit Enschede, had de zekerheid van een baan nodig om zich als kunstenaar vrij te kunnen voelen. Zijn achtergrond als boekhouder gaf hem ook de mogelijkheid zichzelf te blijven en zich verre te houden van het lawaai dat het kunstleven zo vaak omringt.
Akkerman had een hekel aan dat lawaai. In zijn geboortestad Enschede viel hij dan ook nauwelijks op. Hij leefde in de luwte en trad daar alleen uit als het echt noodzakelijk was. Zoals bij de grote tentoonstelling die hij in 1973 kreeg in het Stedelijk Museum in Amsterdam, de prestigieuze PC Kunstprijs van 50.000 gulden in 1994 en de schenking van een omvangrijke collectie tekeningen aan het Gemeentemuseum in Den Haag, zes jaar geleden. „Als je 85 bent, moet je toch bekommeren om wat er na je dood gebeurt”, zei hij toen.
Akkerman leed op dat moment aan artrose en had steeds meer moeite met schilderen. Van de eindigheid van zijn leven was hij zich meer dan ooit bewust.

Zijn eerste schilderijen maakte hij als jongetje van twaalf. Met behulp van de verfdoos die hij kreeg van een oom. Met de fiets trok hij eropuit. Langs boerderijen, Twentse essen, oude fabrieken, schuren en het Rijksmuseum Twenthe, waar hij onder de indruk raakte van de grote landschapschilder Jan van Goyen, uit de zeventiende eeuw. Voor 2,50 gulden verkocht hij zelf kleine landschapjes aan een lijstenmakerij. Toch dacht hij er nooit over om van de kunst zijn beroep te maken.
Na de oorlog werd hij lid van de Nieuwe Groep, het gezelschap Twentse kunstpioniers waartoe ook Riemko Holtrop en Jan Broeze hoorden. Akkerman, als ambtenaar, was er een buitenbeentje. Maar wel „de beste”, volgens collega Jan Schoenaker uit Oldenzaal, „en de enige van ons die landelijk is doorgebroken.”
In 1957 kwam hij zelfs met een aantal van zijn oude kameraden in conflict, toen hij de provinciale Gerard Terborchprijs won. Akkerman werd gezien als een outsider zonder opleiding, een dilettant in een prijsvraag die eigenlijk alleen voor beroepskunstenaars was bestemd.
In dezelfde periode - de jaren vijftig - ligt het begin van zijn artistieke ontwikkeling. Een volstrekt eigen ontwikkeling van een steeds grotere vereenvoudiging, dwars tegen de destijds heersende stromingen in. Akkerman had niets met Cobra, wel met Mondriaan. De landschappen die hij in die jaren begon te maken, werden stap voor stap abstracter, leger en stiller. Totdat ergens in de jaren zeventig elke herinnering aan de werkelijkheid verdwenen was en er niets anders overbleef dan monochrome vlakken op doek en een paar lijntjes op papier. Een onvermijdelijk proces, in zijn eigen woorden. „Ik heb me lang verzet, maar het is toch gebeurd. Ik kon er niet omheen, de vormen waren opgebruikt, versleten.”
In de jaren zeventig was het Edy de Wilde, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, die de kracht van dit geleidelijk groeiende oeuvre zag. Schilderijen van Akkerman - gemiddeld zo’n zes per jaar - vonden steeds meer hun weg naar de grote kunstmusea in de Randstad. Ook het Rijksmuseum Twenthe bouwde een mooie collectie op. Nog dit jaar is het overlijden van de kunstenaar er aanleiding voor het houden van een grote overzichtstentoonstelling.
Vooral de laatste jaren werd het stil rond Ben Akkerman. Nog stiller dan daarvoor. Er waren dagen dat je je afvroeg of hij nog leefde. Nu hij dood is, wordt opnieuw de vraag actueel naar de betekenis van zijn leven en werk. Een oeuvre dat, met terugwerkende kracht, zich nog het beste laat vergelijken met een zorgvuldig, laag voor laag gebouwd en in alles hecht doortimmerd huis. Akkerman - hoe bescheiden hij ook was - hoort thuis in het rijtje van grote kunstenaars van na de oorlog.
Zelf, met de nuchterheid van de oude boekhouder, had hij daar ook een uitgesproken mening over. „Als er in deze eeuw honderd goede kunstenaars zijn geweest”, zei hij ooit, ”en ik ben de negenennegentigste, dan is dat al veel meer dan ik had verwacht.”
