Het is een tentoonstelling met alleen maar werken op papier. Etsen, houtsnedes, tekeningen, litho’s en linoleumsnedes. Meer dan tweehonderd werken, op volle wanden, waarbij je als kijker letterlijk ogen tekort komt.
Wie het wil zien, moet naar het Rijksmuseum Twenthe. Daar is, in de grote expositiezaal, een prachtig overzicht te zien van tekeningen en prenten, gemaakt in de periode tussen 1850 en 1935.
Het merendeel van de geëxposeerde werken is afkomstig uit de eigen collectie van het museum. Ze werden ooit geschonken door Karel Levisson, de kunstverzamelaar uit Borne, oud-recensent
van de Twentsche Courant en oprichter van de Vrienden van het Rijksmuseum. De tentoonstelling mag dan op het eerste gezicht niet direct een publiekstrekker zijn, ze geeft wel degelijk een fascinerend beeld van de kunst en het kunstleven in de eerste decennia van de twintigste eeuw.
‘Gedroomd papier’ heet de expositie. Een toepasselijke titel, want als er ooit in de geschiedenis in de kunst is gedroomd, dan is het wel rond de vorige eeuwwisseling. De jaren voor de Eerste Wereldoorlog waren van een ongekende dynamiek. Europa veranderde, de kunst ook. Of het nu ging om een ideale maatschappij, het verloren paradijs, de mysteries van de natuur of de mogelijkheden van de nieuwe, geïndustrialiseerde maatschappij: je vindt het allemaal terug in het werk zoals dat door mensen als Jan Toorop, Jan Mankes, Piet Mondriaan, Jan Sluijters, Herman Kruyder en zelfs Carel Willink werd gemaakt.
Vooral de laatste frappeert met zijn vroege, constructivistische werk. Willink, toch vooral bekend als magisch realist, begon ooit als jong kunstenaar te midden van de Berlijnse avant-garde in de jaren 1920. De compositie met gekleurde driehoeken en blokjes, die in Enschede van hem te zien is, is in die periode gemaakt en laat een voor Willink ongekende experimenteerdrift zien. Erg lang zou hij hiermee niet doorgaan. In 1928 neemt hij opeens met een ouderwets portret afscheid van wat hij later ‘de gehele santenkraam van constructivistische elementen’ zou noemen.
Toch laat Willink met zijn werk op papier iets zien van de gretigheid en het enthousiasme waarin veel kunstenaars van zijn generatie zich weer wierpen op relatief oude technieken als de krijttekening, de ets en de houtsnede. ‘Zoo als het graniet’, schreef Roland Holst in 1919, ‘slechts is voor den den beeldhouwer die zich van alle impressionisme heeft bevrijd, zoo is het edele kopshout slechts geëigend voor den kunstenaar die niet meer schilderachtige uiterlijkheden, noch toevalligheden najaagt.’
Vooral de ets werd gewaardeerd vanwege zijn grote mogelijkheden tot vernieuwing. Er werden zelfs, aan het einde van de negentiende eeuw, verenigingen opgericht waarin de liefde voor de oude technieken op een nieuwe manier werd beleden: de Nederlandsche Etsclub in 1885, de Hollandsche Teken-Maatschappij in 1876, het Koninklijk Genootschap van Aquarellisten in 1882 en de Vereniging tot Bevordering der Grafische Kunsten in 1911.
Bij elkaar gebracht in één tentoonstelling, geven de tastbare resultaten van dit enthousiasme een prachtige inkijk in de artistieke en maatschappelijke dromen van een generatie. De breekbare dieren van Jan Mankes, de lino van Jan Mankes met het Nederlandse leger in 1928, de tekeningen van de jonge Mondriaan, afkomstig uit een particuliere collectie: het zijn onvergetelijke miniatuurtjes op papier waarvan je ook zelf aan het dromen slaat.