Hij was kunsthandelaren en kunstschilder, maar bovenal een verhalenverteller. Herman Krikhaar (79), de bakkerszoon uit Almelo die een van de meest spraakmakende galeriehouders van Nederland werd, is vandaag overleden.
Z’n mooiste anecdote speelde uiteraard in Twente. Met Paul de Lussanet, eveneens kunstenaar, en Jan Cremer, was hij op een dag aan het fietsen in Tubbergen. Toen ze de weg vroegen bij de kruidenier, werden ze herkend. De Lussanet als oud-inwoner en Krikhaar als ‘kunstkearl oet Almelo.’ Cremer echter werd aangezien voor de zanger Ben Cramer. ‘Dezelfde middag keerde Jan terug naar huis. Hij was woedend..’
Herman Krikhaar mocht ze graag vertellen, de verhalen over zijn lange leven in de kunst. Die verhalen waren er ook genoeg. In zijn legendarische galerie aan het Spui (later Rokin) in Amsterdam ontving hij tussen 1963 en 1988 bijna alle grote kunstenaars van zijn generatie, van Karel Appel en de andere Cobra-schilders tot Kees Verwey, Saura en Anton Heyboer, Vooral de openingen waren spectaculair. Krikhaar, met zijn gevoel voor show, had altijd wel een verrassing. Éen keer heette die verrassing Rudolf Nurejev, de wereldberoemde danser en acteur, die hij zo gek wist te krijgen om zijn galerie te bezoeken. Precies een kwart eeuw was Krikhaar met zijn galerie een van de trendsetters in het culturele leven van de hoofdstad. Een opmerkelijke prestatie voor een bakkerszoon uit Almelo, die min of meer vanuit het niets een grote naam wist op te bouwen. Liefde voor mooie dingen had hij al gehad. In de jaren vijftig, toen hij vier jaar lang purser was bij de KLM, begon hij doelbewust met het kopen en verzamelen van kunst. Contacten en zijn aangeboren charme deden de rest. In zijn privé-collectie bevinden zich onder meer schilderijen van Chagall en Picasso. Een werk van de laatste (Fumer et Amour) gaf hij tien jaar geleden in bruikleen bij het Rijksmuseum Twenthe.
De sluiting van zijn galerie in 1988 was een bewuste stap. Krikhaar vond het , na 25 slopende jaren, welletjes. De generatie waarmee hij zich als kunsthandelaar altijd geïdentificeerd had, werd oud. Een mooi boek vol anecdotes, geschreven door zijn vrouw Helena Stork, markeerde het moment. De galeriehouder van de jet set, zoals hij wel eens werd genoemd, trok zich terug in zijn huis in Zuid-Frankrijk om zelf weer op volle kracht te gaan schilderen. De laatste twintig jaar van zijn leven bracht hij grotendeels door in zijn atelier. Krikhaar schilderde als een bezetene. Grote schilderijen, vol kleine verhalen. Want ook met het penseel in de hand bleef Krikhaar altijd de verhalenverteller die hij in wezen was.Hij exposeerde regelmatig – drie jaar geleden nog in het Museum Van der Togt in Amstelveen- maar de erkenning bleef uit. De kunsthandelaar zat in dat opzicht de schilder in de weg. ‘Omdat je toevallig in kunst gehandeld hebt, ben je bij de heren critici verdacht’, verzuchtte hij ooit. Om er in één adem aan te toe te voegen. ‘Weten ze dan niet dat ook Johannes Vermeer een kunsthandel heeft gehad?’
Zijn relatie met zijn geboortestad Almelo had er niet onder te lijden. Die was de laatste jaren inniger dan ooit. Krikhaar exposeerde er meerdere keren en riep zelfs een kunstprijs in het leven, vernoemd naar hem zelf. Sibyl Heijnen was in september vorig jaar de laatste winnaar. Typerend voor zijn nooit veranderde Twentse humor waren de woorden die sprak toen hij in 2001 de voor kunst deplorabele ruimte verkende waar hij dat jaar in Almelo zou exposeren: ’n Paar spiekers in de muur zol wa mooi wean.’