Een oud schoollokaal, verscholen op een binnenplaats achter de huizen van een gracht. Hier, hartje Amsterdam, woonde en werkte hij: Norbert Olthuis, tekenaar, schilder en levenskunstenaar.In een atelier dat misschien wel z’n grootste kunstwerk was.
Behalve vrijwel zijn complete oeuvre, duizenden tekeningen en schilderijen, bewaarde hij er zo’n beetje alles wat hij in het leven ooit gebruikte: oude hamers, conservenblikken, wijnflessen, briefjes vol veelal humoristische teksten en gedroogde sinaasappelschillen, die in lange slierten boven zijn bed hingen.
In augustus is hij overleden. Zijn gezondheid was al een paar jaar slecht. Zo maar, op een zomerdag, was hij verdwenen. Omgevallen als een boom, zoals hij zelf vaak zei over de doden. Begin oktober was er een herdenking in Artis, vorige week de ontruiming van zijn atelier. Zijn werk, een leven lang in het verborgene gehouden, is verdeeld over vrienden, familieleden, instellingen en musea, waaronder het Rijksprentenkabinet, het Polakmuseum in Zutphen en het Historisch Museum van zijn geboortestad Hengelo.
Olthuis groeide op in Twente. Z’n eerste tekenlessen kreeg hij samen met Theo Wolvecamp en Eef de Weerd van de Hengelose kunstenaar Oets. Na de oorlog ging hij – met een beurs van Stork - naar de Rijksacademie in Amsterdam, de opleiding waar hij later ook zelf docent zou worden. Diep in z’n hart is hij echter altijd Twentenaar gebleven. Zeker één keer per maand kwam hij terug. Dan bezocht hij zijn kunstenaarsvriend Riemko Holtrop, dwaalde door de bossen van Twickel en sliep in de houten keet die hij bezat op een boerenerf in Bentelo. Hier, temidden van door hem zelf geplante bomen, woonde hij tussen zijn Twente relikwieën: bijlen, boomstronken, een paal van de houtzagerij en een waterput uit 1690.

Een groot deel van zijn leven was hij op reis. Trok door Griekenland met een ezel, reisde naar Italië en Egypte. Dan was hij maanden van huis. Onderweg maakte hij razendsnelle schetsen. Flarden van een landschap, dieren, mensen. Gemaakt naar het leven, vanuit een gevoel van bijna kinderlijke verwondering dat hem tot aan zijn dood niet meer zou verlaten. Olthuis was een tekenaar, meer dan een schilder: juist in de snelle, vaak virtuoos gemaakte schetsen kon hij zijn emoties kwijt.
Bekend is hij nooit geworden. Vermoedelijk wilde hij dat ook niet. Olthuis exposeerde nooit, gaf zelden iets weg en als hij iets weggaf, kon hij het een maand later weer ophalen met de opmerking: ‘Daar zijn jullie nog niet aan toe’. Vier portretten van zijn hand zijn momenteel in Zutphen te zien. Ze hangen er in de marge van het werk van de schilder Arie Kater, ooit zijn buurman in Amsterdam. In afwachting, hopelijk, van de echte tentoonstelling die er natuurlijk snel over deze kunstenaar moet komen.