Jonathan Swift schreef Gullivers reizen als een volwassen satire op politiek en mores in het achttiende-eeuwse Europa. In de loop der jaren werd het eerste van de vier delen, waarin reiziger Gulliver belandt in een land dat wordt bevolkt door dwergen, echter steeds meer beschouwd als een fantasievol kinderverhaal.
Nooit echter werd dat eerste deel van Swifts verhaal zo kinderachtig bewerkt als in Gulliver's travels. De film is opgezet als een vehikel voor de hyperactieve komiek Jack Black, die we soms graag in bijrollen zien, maar liever niet als hoofdrolspeler. In de introductie leren we Blacks Gulliver kennen als een New Yorkse loser met een grote bek, die luchtgitaar speelt en Star Wars-poppetjes verzamelt. Een typisch Jack Black-personage, kortom. Een omslachtige plotlijn waarin hij als postkamerjongen van een aanbiddelijke redactrice opdracht krijgt om een reisartikel te schrijven voor de krant waar hij werkt voert Gulliver naar de Bermuda-driehoek, waar
het dwergenland Lilliput verborgen blijkt te zijn. Voor de kleine mensen is de goedgevulde Gulliver een bedreigende reus. 'Het Beest' wint echter het respect van de bevolking wanneer hij een grote brand blust door - haha, hoe kom je er op - er met de broek op zijn schoenen overheen te plassen.
Afgezien van een aardige passage waarin Gulliver scenes uit Titanic, Star Wars en een Kiss-concert laat naspelen door de Liliputters, is bijna alle humor gebaseerd op vermeend grappige tegenstellingen tussen het operetteske miniatuurland en de grove popculturele referenties van eeuwige puber Black. De decors en trucages hebben zichtbaar een fortuin gekost en mogen er wezen. Dat is het meest positieve dat we over deze aartsflauwe flop kunnen melden.
(Fritz de Jong)