Een baby wordt achtergelaten op een bankje. Het kindje heet Joy: vreugde. Hoe cynisch. Want achttien jaar later blijkt dit in een kindertehuis opgegroeide meisje bitter weinig vreugde te kennen. Schijnbaar ongenaakbaar beweegt de blondine (overtuigende rol debutante Samira Maas) zich door de grote stad. Wie haar voor de voeten loopt, kan een snauw krijgen. In haar relatie met vriendje Moumou (Dragan Bakema) zit weinig intimiteit. Hun seks is wild en onpersoonlijk, en met zijn hechte Servische familie kan Joy nauwelijks contact leggen.
Net als in haar eerdere films over meisjes op weg naar hun volwassenheid, Bluebird en Het zusje van Katia, kruipt regisseur Mijke de Jong met haar camera bovenop haar hoofdpersoon. Die aanpak, die sterk doet denken aan de quasi-documentaire stijl van de Waalse gebroeders Dardennes, werkte in de eerdere films prima, omdat we de drijfveren en emoties van de geportretteerden vooral moesten aflezen aan hun lichaamstaal. In Joy zadelen De Jong en scenariste Helena van der Meulen de titelpersoon echter op met een melodramatisch verlangen om haar biologische moeder terug te vinden. Door Joys obsessieve zoektocht naar een geïdealiseerde moederfiguur bovendien te spiegelen aan de tienerzwangerschap van haar volkse hartsvriendin (Coosje Smid) zet de film het thema van de moederband moddervet aan. Daardoor wordt die priemende camera al snel voyeuristisch en bij vlagen zelfs kitscherig.