TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen

TwenteUITdeKunst een multimediaal platform op het gebied van uitgaan, kunst en cultuur en alle evenementen | Interview: ‘Ik vind de waarheid niet zo belangrijk’

Interview: ‘Ik vind de waarheid niet zo belangrijk’  

 Door Ingrid Bosman

 

Ze heeft zichzelf er weer in geluisd. Ergens in de voormalige Sovjet-Unie, in ‘een totaal absurd land’ wacht een verhaal op filmmaker Astrid Bussink. Nee, over welke staat en welk onderwerp het gaat wil ze nog niet zeggen, „voor hetzelfde geld gaat het niet door.” Eigenlijk had ze zichzelf de vorige keer toen ze uit Rusland terugkwam beloofd dat ze nooit weer die kant op zou gaan. „Hier zijn de omstandigheden nóg moeilijker. Maar als het allemaal lukt is het echt een briljant verhaal.”

Enschede blijft er wel. „Daar ben ik al acht jaar mee bezig. Bovendien, ik moet er wel iets bij hebben, anders word ik gek.” De Verloren Kolonie was eerder dit jaar te zien op het Rotterdams Filmfestival, en is vanaf eind komende week in een aantal bioscopen te zien. Ze heeft net een aangepaste versie klaar om naar Abchazië te sturen, want de medewerkers van het primatenlaboratorium in de hoofdstad Suchumi hebben de film zelf nog steeds niet gezien. Twee scènes heeft ze eruit gehaald, waaronder de beelden van Amerikaanse wetenschappers die indommelen tijdens een congres dat hun Abchazische collega’s hebben georganiseerd, in een poging hun zieltogende instituut weer op de kaart te zetten. „Ik vond het onnodig kwetsend voor de mensen daar. Dat mag jij hypocriet vinden, en natuurlijk bestaat de kans dat ze ooit de originele versie onder ogen krijgen, maar ik wil ze graag een film bezorgen waar ze gelukkig mee kunnen zijn.”

 IJdelheid speelt een rol, erkent ze, maar ook een zeker schuldgevoel. „Het ís nogal wat wat je aanricht. Je komt dankzij een pot subsidie even langs, vraagt of ze hun leven voor je willen opengooien en dan verdwijn je weer.” Ze krijgt nog geregeld mail uit Abchazië. „Dan vragen ze wanneer ik weer langskom. Maar dat gaat natuurlijk niet gebeuren.”

De oorlog met Georgië in 1993 betekende de doodsteek voor het oudste apenlaboratorium ter wereld, waar ooit baanbrekende maar ook omstreden medische experimenten werden uitgevoerd. We zien in de film zwart-wit beelden van hulpeloze jonge bavianen, via helmpjes verbonden met apparatuur, geflankeerd door trotse onderzoekers in witte jassen. Nu zit de handvol dieren die niet het bos in vluchtte of door militairen als trofee werd meegenomen, doelloos in de kale hokken. Een medewerker trekt met voedsel de bossen in om gevluchte apen te lokken. Dat doet hij al zeventien jaar, en al zeventien jaar laten de beesten zich niet zien.

Een krantenartikel over de mislukte experimenten van Sovjet-wetenschapper Ilja Ivanov - in opdracht van Stalin - om apen en mensen te kruisen zette Bussink op het spoor van het primatenlab in de republiek Abchazië, ingeklemd tussen de Kaukasus en de Zwarte Zee. „Een verloren paradijs. Het is subtropisch hè, we hebben het niet over het Rusland van de bontmutsen. De film gaat vooral over hoop. Die mensen geloven echt dat het goed komt, en daar richten ze hun leven op in.”

Ze vertelt over The Angelmakers, haar bekroonde debuutfilm over een klein Hongaars dorp waar 51 vrouwen in 1929 hun mannen en andere familieleden vergiftigden. „Ik keur geen moord goed of zo, maar ik probeer met die film wel duidelijk te maken waarom die keuze is gemaakt.” Zoals ze in de korte docu Rückenlage ook een verklaring zocht voor de mysterieuze reis van nazi-leider Rudolf Hess, die in 1941 naar Schotland vloog. „Dat is een verhaal apart hoor, ik pretendeer niet dat ik het raadsel heb opgelost, maar dat er iets fatalistisch aan ten grondslag lag is voor mij wel duidelijk.” Pas was ze in Canada op een festival, waar behalve De Verloren Kolonie ook haar ultrakorte documentaire I shot the mayor werd getoond. „Daarin is te zien hoe een man in Spanje al vijftien jaar op zoek is naar een beer. Hij heeft al heel veel sporen gevonden, maar de beer nog niet.” Het publiek maakte haar notabene attent op de gelijkenis met de apenlokker in Abchazië. „Zo eigenaardig: die mannen zijn totaal inwisselbaar. Ze zoeken allebei naar iets wat er niet is.” Ze lacht. „Ergens ben ik dus wel constructief bezig.”

Met de blik vooral naar het oosten gericht. „Het leven daar is net iets ruwer. Meer dramatiek, meer passie. Nederland is natuurlijk ontzéttend aangeharkt.” Ze lacht opeens heel hard. „Wat klinkt dat verwend van mezelf!” Maar uit haar films spreekt niet voor niets zoveel melancholie en nostalgie. „Ik ben zelf ook een ontzettende romanticus. Al wil ik in mijn films wel door de romantiek heen breken hoor, ik wil weten wat erachter zit.” Vragen stellen is ook een manier om niet te vervallen in neo-koloniale romantiek, zegt ze. „Ik probeer de mensen te begrijpen alsof ik zelf een Abchazische ben. Wat natuurlijk niet kan, daar ben ik wel op bedacht.” Ze blijft een voorbijganger. „Ja, vreselijk is dat. Deze film is twee jaar een obsessie geweest. Na het Filmfestival in Rotterdam had ik zó’n kater, ik dacht: Jezus, wat nu?

 Eigenlijk is het dan: Op naar de volgende obsessie.” De mensen van het apenlab hebben ook baat bij de film, beseft ze. „Maar ik kan toch niet zeggen dat ik Abchazië nu op de kaart heb gezet. Ik vind mezelf nogal eens verwend. Ik werk eraan, hoor, want het kan je er soms ook van weerhouden om de beste film te maken. Maar ik ben nu eenmaal geen journalist. Ik vind de waarheid niet zo belangrijk. Mijn doel is een mooi verhaal te vertellen.” Ze lacht verlegen. „Ja, meer is het niet.” Of het genoeg is? „Ik hoop het”.

De hang naar romantiek is, stelt ze vast, „ook een manier om de realiteit te ontkennen. Ik vind die maakbaarheid wel heel interessant. Als je met alle vrouwen van het dorp besluit om de mannen uit te moorden, dan kom je in een andere realiteit. Tegelijk is het is voor mij ook een soort Kuifje-gevoel, van ergens op af gaan. Maar we gaan nou psychologiseren. Voor je het weet is het einde zoek.” Als scholier in Eibergen schreef Astrid in haar dagboek dat ze ‘tekenaresse’ wilde worden, of ‘aktriese’. Ze ging uiteindelijk naar de kunstacadamie in Enschede, verkende ongeveer alle disciplines, maar vond haar bestemming niet.

Dat lukte evenmin in Amsterdam waar ze als beeldredacteur ging werken bij Quote, glimmend cluborgaan van de nieuwe rijken. „Ik wilde gewoon een spannend leven leiden, zonder te weten hoe dan precies. In die tijd voelde ik me meer Eibergse dan nu. Er kwam een obstinate nuchterheid over me, maar met een houding van ‘doe nou maar normaal’ kom je niet ver bij Quote. Het is toch alsof je in Florence klaagt dat er geen moderne kunst te zien is.” Ze besloot nou eens echt iets te doen met de latente onrust en meldde zich aan voor een filmcursus. Met ironie: „En toen zag ik het licht.”

Maar eigenlijk begon het in Enschede. Op 13 mei 2000, de dag van de vuurwerkramp. Toen ze – totaal in shock - haar fotocamera in de handen kreeg gedrukt bij haar brandende studentenkot. Achteraf was dat een sleutelmoment. „Ik slaagde er maar niet in om te focussen, maar door die lens kreeg alles weer een kader. En ik kon afstand inbouwen. Eigenlijk is dat wat ik nog steeds doe, door een lens naar het leven van een ander kijken.” Ze was met haar toenmalige vriend en diens vader dozen aan het inpakken voor de verhuizing naar Amsterdam, toen de vernietigende klappen van de vuurwerkramp kwamen. „Ik wilde maar één ding: rennen voor mijn eigen leven. Ik dacht echt alleen maar aan mezelf. Ze hebben me er met vier man van moeten weerhouden om er vandoor te gaan, wat mijn dood zou hebben betekend. Ik heb er veel over nagedacht, maar ik ben bang dat als het me was gelukt om weg te komen, dat ik me dan om niemand anders op mijn pad zou hebben bekommerd. Het is een staat van zijn waarbij elke beschaving wegvalt.”

Geschokt was ze. En vooral: intens teleurgesteld in zichzelf. „Ik heb iets van mezelf gezien dat je niet hoort te zien, als mens. En er is ook geen rede tegen opgewassen. Natuurlijk heeft iedereen al honderd keer tegen me gezegd dat zo’n reactie heel normaal is. Maar ik weet nu dat er naast de gewone Astrid Bussink een andere entiteit bestaat die ook zo heet, en die laf is, en primitief. Weet je, mijn film over Hess is overal gedraaid, behalve in Duitsland. De kritiek was dat hij teveel als mens zou worden afgeschilderd. De gedachte is: de nazi’s, dat is een ander soort mensen. Iedereen hoopt dat -ie het goede doet, als het er op aankomt. Nou, niet dus.” Ze besloot dat ze er een film over moest maken. Diepe zucht: „En nu moet ik met de billen bloot”.

Ze vertelt hoe ze een paar maanden geleden woonruimte huurde in Enschede. „Die film moet gemaakt, dat weet ik al acht jaar. Ik dacht dat de afstand een probleem was. Ik wilde elke dag om de krater heen kunnen wandelen. Maar na twee maanden ben ik weer naar Amsterdam gevlucht. En nu ben ik vooral bezig om juist afstand te creëren.”

Die is ook nodig om het proces van romantiseren te stoppen. Ze zegt het met schroom, want: „Ik besef heel goed dat er mensen zijn omgekomen. Maar ik ben de ramp in die acht jaar bijna mooier gaan maken. Het zit in de titel: Heimwee naar Enschede. De plaatsnaam is voor mij synoniem met de vuurwerkramp. Ik heb altijd gezegd, ik had het niet willen missen. Zo’n intense ervaring, die je zó op scherp zet, je dwingt om na te denken over je leven: ik mag niet zeggen dat ik er dankbaar voor ben, maar ik heb er wel wat aan gehad.” Het scenario is geschreven, maar Astrid Bussink heeft tijd nodig om het verhaal universeler te maken. „Het moet niet over mij gaan.” En wat ze er uiteindelijk mee zal bereiken, ach. „Ik ben niet zo’n boodschapper. Het zou fijn zijn als een paar andere mensen opgelucht ademhalen, omdat ze weten dat ze niet de enigen zijn.”

 

23 mei 2008, TC Tubantia

 
Interview: ‘Ik vind de waarheid niet zo belangrijk’ van  Ingrid Bosman
Gepubliceerd: 11-11-2009 , Laatst bijgewerkt: 02-02-2010

5 laatste reacties

Lezersmenu
Gesplitst - Shusterman
The Information