Op ziekte reageert Hollywood altijd met een pavlovreactie: tranen. In My sister's keeper, een bizar verhaal over een aan leukemie lijdende tiener en haar donorzusje, blijven de sluizen dicht, omdat de film vooral ergernis oproept.
Nick Cassavetes, de zoon van John Cassavetes, de peetvader van de onafhankelijke Amerikaanse cinema, weet hoe je een onderwerp om zeep brengt. Zijn My sister's keeper is een schoolvoorbeeld van het verzuipen van een serieuze kwestie in een teil valse tranen. Het drama begint veelbelovend. Omdat hun aan leukemie lijdende dochter Kate alleen kan overleven met bloed en beenmerg van een broer of zusje, besluiten haar ouders om een kind op de wereld te zetten dat als donor moet gaan dienen. Bizar? Zeker, maar niet geheel ondenkbaar.
Anne heet het kind, dat door haar ouders jarenlang als leverancier van onderdelen wordt ingezet. Als Anne elf is en haar ouders verwachten dat ze een nier afstaat, is voor haar de maat vol. Het kind weigert en zoekt contact met een advocaat (Alec Baldwin). Het lijkt de opmaat voor een drama over een interessante ethische kwestie - wat mag er wel en niet in de (kinder)donorwereld? - maar dat vond Cassavetes blijkbaar te ingewikkeld.
De film verandert in een melodrama over de invloed van een doodziek kind op het gezinsleven. De ouders begrijpen elkaar niet meer, de niet zieke kinderen voelen zich verwaarloosd en het doodzieke kind voelt zich schuldig aan alle ellende. Natuurlijk kan ook dat een interessante film opleveren, maar die film is My sister's keeper niet, omdat Cassavetes niet geïnteresseerd is in echte emoties, maar in een melodrama over een volslagen hysterische moeder (Cameron Diaz), die haar gezin een moeras in sleurt, waaruit natuurlijk iedereen - na het onvermijdelijke - weer omhoog kruipt. John Cassavetes, die in zijn films echte emoties zocht, draait zich om in zijn graf.
Jos van der Burg