Wouter Hamel is het levende voorbeeld dat het goed gaat met de jazz. Net als bij collega's als Ruben Hein en Caro Emerald is hij ondanks de jazzscholing een alom gerespecteerde popheld.
door Ton Ouwehand
Aan niets is meer te horen dat Wouter Hamel ooit een van de meest veelbelovende jazzzangers van ons land was. In 2005 was hij de eerste man die het Jazz Vocalisten Concours in Zwolle op z'n naam zette. Hij maakte indruk als een van de weinigen die op een heel natuurlijke manier overtuigend kon scatten (woordloos improviseren).
Maar de jazz is er inmiddels wel uit bij Hamel. Alleen in de schitterde openingstrack Touch the Stars is nog een flinke knipoog richting dixieland.
Muzikaal gebeuren er interessante dingen op Hamels nieuwste. In de eertste plaats zingt hij beter dan ooit. De productie is uitermate evenwichtig, de arrangementen zijn origineel. Je hoort aan alles dat er lang is nagedacht om muzikaal tot afgewogen keuzes te komen. Het stuk Demise heeft alles in zich om nog eens gecoverd te gaan worden door George Benson. En dan mag je nog afvragen of Hamel het uiteindelijk niet beter zingt. Ook sterk is Giugiu, een stuk dat ook heel goed uit de koker van Elvis Costello had kunnen komen.
Finally getting closer vind ik zelfs een Beatles-achtig meesterwerkje. Skimming the skies is ook schitterend, waarbij Hamel alleen wordt begeleid door een trombonekwartet. Maar niet alles wat Hamel aanraakt wordt goud. Het is een raadsel waarom het smakeloze Toronto, dat overigens door de computer Totonto wordt genoemd de cd heeft gehaald. De cd had wat mij betreft na het gospelachtige Little Boy Lost mogen stoppen.