„Waarom vraag jij mij dat? Jij heet toch Peter? Dan ben je een apostel. Petrus. De eerste paus zelfs. Dan heb je het antwoord toch al?” zegt Lee Perry. Voor buitenstaanders wellicht een vreemd antwoord van de Jamaicaan op de vraag hoe hij - vijfenzeventig inmiddels - er nog altijd in slaagt om maar liefst anderhalf uur achtereen energiek over een podium te banjeren.
Dat heeft Perry vlak voor het gesprek namelijk gedaan. Meer ingewijden weten echter dat het naar Perry-begrippen een uitzonderlijk heldere reactie is. Misschien wel de meest heldere in een kleedkamergesprek van pakweg een half uur.
Hij wordt vaak en gemakkelijk „knettergek' genoemd, Lee Perry. Te gemakkelijk, gezien de immense invloed die hij de afgelopen vier decennia op de populaire muziek heeft gehad - de reggae voorop. Sterker nog, hij mag als de grootste nog levende reggaelegende worden beschouwd. En de drukte bij zijn Berlijnse optreden onderstreept dat velen - Perry's publiek blijkt uiterst gemêleerd, variërend van zestien tot zesenzestig - hem toch één keer in hun leven op een podium willen zien. Nu het nog kan. Half februari geeft hij ook een vijftal concerten in Nederland.
Zijn colbertje is vol geborduurd met afbeeldingen van Haile Selassie en de Leeuw van Judah. Zijn haar aardbeienrood geverfd. Zijn pet beplakt met spiegeltjes en plaatjes van heiligen. Bovenop een als een diamant met vele vlakken geslepen glazen bol zo groot als een mandarijntje, dat op het podium als een soort microdiscobal het licht van de schijnwerpers over de wanden en het plafond van de zaal verstrooit.
„Die glazen bol op mijn pet fungeert eigenlijk net als zo'n Egyptisch ding. Ja, een piramide, dat bedoel ik”, zegt Perry. Net als een pyramide zou het het binnenkomende licht, de energie, geconcentreerd naar een plek sturen. Perry's brein in dit geval. Perry vouwt de wijsvingers en duimen tegen elkaar, zodat zijn twee handen een hart vormen dat hij voor zijn gezicht houdt. De wijsvingers priemen in zijn neusvleugels. „Muziek is mijn heilige drieëenheid. De mond, de ogen en de neus. Maar die mond, dat is ook de slang! Die zegt onwaarheden en spuwt gif naar de mensen.”
ORAKEL
Hij mag dan vandaag de dag orakelen, hij wordt ook als een muzikale pionier beschouwd, de in 1936 geboren Lee Perry. Een pionier van de dub. Na in de late jaren vijftig en vroege „sixties' als Manusje van alles te hebben gewerkt in de opnamestudio van vroege Jamaicaanse reggaeproducers als Coxsone Dodd, begon Perry in de tweede helf van de jaren zestig voor zichzelf. Als producer, maar ook als platenbaas.
Zo gaf hij onder anderen Bob Marley en The Wailers het laatste zetje naar de roem - waarna ze snel bij een ander platenlabel tekenden. Maar dit terzijde.
De legendevorming begon echter pas goed toen de Jamaicaan in 1973 zijn Black Ark Studio had gebouwd. Niet alleen werd daar een aantal van de mooiste platen uit de reggaehistorie opgenomen, maar hij ontwikkelde er ook zijn karakteristieke dubsound: het uiteenrekken of juist samenpersen van elementen van de muziek, waardoor een vervreemdend effect ontstaat.
In 1980 echter stak Perry in een vlaag van waanzin zijn eigen studio in brand en sindsdien is het eigenlijk nooit meer helemaal goed gekomen. Sinds een jaar of twintig is hij getrouwd met een - naar het schijnt - steenrijke Zwitserse en woont hij in Zürich. Een eigen studio heeft hij niet meer, maar hij draaft graag als vocalist - en vooral „profeet' - op als andere producers hem daarvoor vragen.
Velen hebben zijn dubkunstje inmiddels nagedaan, maar weinigen zo radicaal en inventief als The Mad Professor, waarachter de in Guyana geboren Brit Neil Fraser schuil gaat, een generatie jonger dan Perry. Fraser gaat al weer heel wat jaren met Lee Perry mee op tournee als geluidsmixer. Een ideale combi, want The Mad Professor kan technisch alles wat Perry vroeger kon - zelfs meer! - maar mist de legende-status. En die legendestatus vent Perry - die zelf geen mengpaneel meer aanraakt - juist heel gewiekst uit.
Het resultaat is een gevarieerde dubreggae-avond waarop The Mad Professor in muzikaal opzicht de ster is. Eerst onderwerpt hij een uur lang als DJ de muziek uit zijn MP3-speler aan een dub behandeling. Vervolgens moet Perry's begeleidingsgroep The Robotniks er aan geloven: baslijnen worden gekneed alsof het kauwgum is, percussiesalvo's rollen ratelend uit de luidsprekers als verdwaalde knikkers in de trommel van de wasmachine. Lee Perry's eigen rol tijdens het laatste anderhalf uur van het spektakel bestaat bestaat louter uit zingen, of beter: het slaken van kreten. Die kunnen even goed over het rastageloof en mededogen gaan, als over pies en poep en de vrouw als „pussy'. Soms komt er een herkenbaar fragment van een oude Perrysong voorbij, zoals „I am a Madman'. Verstaanbaar is hij echter nauwelijks. Dat vergeeft het publiek hem gul. Hij hoeft voor hen alleen maar Lee Perry te zijn. En dat is hij ten voeten uit met z'n knalrode haar en z'n spiegelbol op z'n kruin.
In de kleedkamer, na zijn Berlijnse optreden, vervolgt hij gewoon zijn podiummonoloog. Terwijl zijn Zwitserse echtgenote - de helft van Perry's leeftijd - alles haarscherp in de gaten houdt, legt de reggaelegende uit waarom hij een shirt draagt met een afbeelding van een gevleugelde handgranaat. „Omdat de wereld een bom is”, zegt hij. „En ik ben ook een bom. Een levende bom!”
Op de vraag of hij een gelukkig man is, trekt Perry zijn schoenen uit en toont de binnenkant. Op de binnenzool zijn afbeeldingen van planeten te zien. „Ja, ik ben gelukkig, want de planeten staan gunstig voor mij”, zegt hij. „En ik wordt beschermd, kijk maar!” Ditmaal neemt hij zijn pet af die van binnen beplakt blijkt met plaatjes van Cleopatra en andere figuren uit de Egyptische oudheid. Er zit ook een folder bij van een museum in het Engelse Leeds, dat een tentoonstelling over farao's organiseert.
Mevrouw Perry bemoeit zich ermee. Of er een eind aan het interview kan komen. Het hotel wacht. De legende heeft ondertussen een grote brandende kaars van tafel gepakt en zet die op zijn kruin. „Het is tijd voor de wederkeer”, zegt hij. „De wederkeer op aarde die mededogen en licht brengt.” The Mad Professor en de musici, die ook in de kleedkamer zijn verschenen lijken het allemaal de normaalste gang van de
wereld te vinden. Mevrouw Perry draait nog maar eens een flesje bronwater open.