Italiaanse bestsellerschrijver Niccolò Ammaniti over zijn nieuwste boek Laat het feest beginnen!
Door Theo Hakkert
‘Ik ben deze week net een doos. Ik laat me overal naar toe slepen.” Niccolò Ammaniti (43) maakt er de passende gebaren bij. De Italiaanse schrijver is op tournee en hij heeft werkelijk geen idee van het schema. „Ik laat het maar over me heen komen.”
Reden voor de uitgever Ammaniti heel Nederland door te slepen is de vertaling van de nieuwe roman: Laat het feest beginnen!
De tour moet de naam en faam van de auteur definitief vestigen. Ammaniti is namelijk in vrij korte tijd in Nederland een bestsellerauteur geworden. Van de goedkope herdrukken van romans als Ik haal je op, ik neem je mee, Zo God het wil en Ik ben niet bang werden afgelopen jaar meer dan 200.000 exemplaren verkocht.
Laat het feest beginnen! is een satirische roman, vol humor met scherpe kantjes. Ammaniti laat de zelfkant van Rome onzacht in aanraking komen met de decadente elite van de eeuwige stad op een feest dat volledig, totaal, gigantisch uit de hand loopt.
Leden van de Beesten van Abaddon, een satanische bende onder leiding van Saverio Moneta, dringen als obers een feest binnen van vastgoedmagnaat Sasà Chiatti met het plan onsterfelijk te worden door ter plekke een zangeres te onthoofden.
Satanische bendes, dat klinkt schrikwekkender en mysterieuzer dan het is. Het moderne satanisme is in de gedachtewereld van Niccolò Ammaniti met de tijd meegegaan. Een aanmeldingsformulier om lid te worden van een sekte is te downloaden van de website. De schrijver moet er zelf nog om lachen.
„De satanische groep wil ontzettend graag slecht zijn. Terwijl het in feite simpele zielen zijn met kleine rotbaantjes. Maar ze willen beroemd worden en het enige wat ze kunnen bedenken is iemand gruwelijk vermoorden en daarna collectief zelfmoord plegen - al vindt een aantal leden dat laatste wel weer erg drastisch, wat zullen hun vrouwen er wel niet van zeggen?” Zijn grijns hierbij is zelf haast satanisch.
Waar de onderste lagen van de samenleving en de elite elkaar in vinden is hun onstilbare drang om beroemd te worden, zijn en blijven.
Zes jaar geleden zei Ammaniti in een interview dat hij sociologische romans schrijft. „Dat vind ik nog steeds. Ik was altijd zeer geïnteresseerd in mensen die langs de rand van de maatschappij leven. Mensen die geen relatie hebben met de staat, met de wet, met het geld. Mensen die in een maatschappelijk half-donker leven waar je geen baan kunt vinden. Dat is in dit boek anders, omdat het ook een beeld geeft van de Italiaanse high-society. Over het algemeen is dat geen plek waar je beroemd bent om iets wat je hebt bereikt of uitgevonden.”
„Ook jij hebt de tijd nog gekend dat iemand beroemd werd omdat hij een belangrijke vinding had gedaan in de strijd tegen kanker of een dna-molecuul had ontdekt. Maar nu ben je beroemd door niets. Of omdat je crimineel bent. Dit boek is in zoverre sociologisch dat het gaat over mensen die beroemd zijn, die in het spotlight willen staan en bang zijn dat op een bepaald moment dat licht zal doven. Iets moet maken dat ze de betrekkelijkheid beseffen, want ze zijn o zo bang dat de aandacht zal verslappen.”
Het feest wordt gehouden in een villa in Rome, in een park waar Ammaniti in het dagelijks leven zijn honden uitlaat. „Als kind was ik daar al veel. Het is een soort jungle, altijd geweest ook. De bomen zijn er ziek, de boel is vervuild. Het ziet eruit als een post-nucleair park. En dat middenin een grote stad. Als je niet precies weet waar je lopen moet - aangelegde paden zijn er niet - dan kun je er nog verdwalen nog. Een van de mysterieuze plekken van mijn jeugd. Ik begon me er allerlei verhalen bij te bedenken. Bijvoorbeeld dat er een safari werd gehouden. Dat er jacht werd gemaakt op een tijger, iets met een olifant ook. Iets totaal onmogelijks. Vervolgens heb ik de karakters bedacht, toen had ik dit verhaal.”
Het is pure satire. „Ja. Maar aan het eind zie je toch dat de figuren die zo grotesk zijn echte karakters hebben en dat ze lijden. Je hebt als lezer compassie met ze. Wat ik wil is dat de lezer niet zeker weet of zijn reactie op de karakters wel de juiste is. Je haat een personage of je lacht hem uit, maar is dat wel terecht? Daar speel ik mee.”
Humor en ironie alom, dat houdt het leven draaglijk, zegt hij. „Humor is dé manier om jezelf tegen de wereld en de trauma’s te verdedigen. Italië onder Berlusconi is om suïcidaal van te worden. Omdat ik een ironische instelling heb, leef ik en lach ik zo nu en dan.”
Ammaniti wil met <CF4061>Laat het feest beginnen!</CF> een beeld geven van de veranderende maatschappij in Italië, waar mensen hard en lang werken om aan de kost te komen. „Er is nog één dag voor de familie. Tijd voor hobbys en andere passies is er nauwelijks nog. Wie bouwt nog kleine schepen in een fles? Op internet zien ze ondertussen hun onbereikbare dromen. In chatrooms vinden ze gelijkgestemden. In computerspelletjes kunnen ze de leider van een groep zijn en draken verslaan.” Wat hem opgevallen is, zegt hij, is dat maar weinig mensen hun avonturen op internet delen met huisgenoten. „In elke hoek van de kamer zit iemand in zijn eigen wereld. Praten over The World of Warcraft doe je op internet.”
„We moeten ons brein veranderen voor internet”, stelt hij, om vervolgens over vroeger te vertellen - totdat hij wakker schrikt en zegt: „Hoor mij toch eens! Ik word oud. Ik praat als mijn grootvader”.
Over vroeger had hij zojuist gezegd: „Toen ik jong was, waren er geen veranderingen. Je kocht een Vespa. Een Vespa was altijd hetzelfde. Je kocht mortadella. In de winkel sneden ze het steeds op dezelfde manier voor je af en werd het vlees op dezelfde manier in het pakpapier gevouwen. Tussen de tien en twintig dacht ik dat de wereld steeds hetzelfde was. Als iets werkte, bleef het altijd zo. Aan een model van een auto veranderde hoegenaamd niets.”
„Je kon nog lezen. Ook moeilijke boeken, omdat je tijd had je daar op te concentreren. Je moest je antennes ver uitsteken om de signalen van veranderingen op te vangen. Steek je ze nu uit, dan komt een idiote hoeveelheid idiote informatie op je af. Nu heb je een filter nodig. Daardoor moeten we anders gaan opvoeden en onderwijzen. Wie leert nog een boek van 600 pagina’s te lezen?”
Hoe krijgt hij het dan wel voor elkaar dat honderdduizenden zijn boeken lezen? „Boeken met veel emotie”, is zijn rappe antwoord. „Ik wil iets schrijven wat rechtstreeks naar het hart gaat in plaats van naar het brein. Een boek van mij zegt iets over de gemeenschap dicht om je heen en zet alledaagse mensen in een ander daglicht. Een boek van mij laat je kijken naar mensen aan wie je tot voor kort voorbij liep zonder er aandacht aan te schenken. De gewone man die je op straat passeert, kan een onvermoed verhaal met zich meedragen.”