Weduwnaar Harry Brown woont in een Londense buurt die wordt geteisterd door criminele randgroepjongeren. Wanneer zijn enige vriend na een reeks pesterijen wordt gedood door het tuig knapt er iets in de voormalige marinier. Harry Brown begint als een sociaal-realistisch portret van een man die zich door omstandigheden gedwongen ziet om in de herfst van zijn leven nog een keer een daad te stellen.
Halverwege slaat de film echter om in een bruusk wrekersdrama in de traditie van Death wish en het thematisch verwante Gran Torino. Om de meedogenloze afrekening te rechtvaardigen zet regisseur Daniel Barber de tegenstellingen zwaar aan. Een voorbeeld: als Harry een vuurwapen wil kopen belandt hij niet bij gewone huis-tuin-en-keuken-boefjes, maar in de nachtmerrie van iedere keurige burger.
De wapenhandelaars zijn sadistische junks die een gedrogeerde vrouw voor de camera grof misbruiken. Al net zo karikaturaal is het geschetste beeld van de politie. Tegenover één integere agente (een niet zo overtuigende Emily Mortimer) plaatst Barber een compleet disfunctionerend politieapparaat, compleet met een pompeus disfunctionerende politiechef.
Toch blijft de film tot aan de rommelige ontknoping overeind. Dat is de verdienste van routinier Michael Caine, die in zijn vertolking van Harry Brown effectief teruggrijpt op vroegere personages zoals de keiharde cockney-spion Harry Palmer (The Ipcress file) en de ongenaakbare crimineel Jack Carter (Get Carter). De oude, gebroken man die in machteloos hik-snikken uitbarst na de dood van zijn beste vriend is luttele scenes later een wraakmachine die zijn pistool richt op de knieschijven van een medeplichtige. Alleen een acteur van Caines kaliber kan zulke veranderingen op een overtuigende manier verenigen in een karakter. Maar als hij in de slotscene voor dood op de vloer ligt, en toch nog in staat blijkt tot een ultieme heldendaad kan zelfs Caine de tekortkomingen van het script niet meer verhullen.
FRITZ DE JONG