Met haar vuurrode haren, bleke huid en aristocratische gelaatstrekken is Tilda Swinton bijna per definitie een buitenbeentje, welke rol zij ook speelt. In het Italiaanse melodrama Io sono l'amore (Ik ben de liefde) excelleert de Engelse actrice als de Russische emigrante Emma, die zich perfect heeft aangepast aan het welgestelde Italiaanse milieu waar zij is ingetrouwd. Maar erbij horen? Dat doet een personage van Swinton nooit.
Als er feest is in het paleisje van de steenrijke textielfamilie Recchi, blijft Emma net lang genoeg aanwezig om vast te stellen dat alles op rolletjes loopt. Daarna trekt ze zich terug in haar privévertrek.
Emma's vervreemding wordt door scenarist/regisseur Luca Guadagnino tastbaar gemaakt. Een beladen familiediner verpakt hij in strak gekadreerde beelden van een winters Milaan, die ritmisch zijn gemonteerd op de voortjakkerende muziek van postminimalist John Adams. Kil en formeel is dit Milaan, dat eerder doet denken aan een Oostblokstad in de jaren zestig.
Kil en formeel: zo leren we ook de Recchi's kennen op het moment dat de godfather van de familie zijn imperium onverwacht in handen geeft van Emma's echtgenoot én diens zoon: volgens hem zijn er twee mannen nodig om hem te kunnen vervangen. De nieuwe eigenaren weten niet hoe snel ze het bedrijf moeten verkopen aan een Amerikaans-Aziatische zakenman, die de Europeanen met zijn ondoordringbare managementgebabbel inpepert hoe hopeloos ouderwets ze eigenlijk zijn.
Maar de teloorgang van de industriële familie komt pas echt aan het licht wanneer Emma - geïnspireerd door de lesbische coming out van haar dochter - zich losweekt van haar plichtsbesef, om een eigen passie na te jagen. Die passie dient zich aan in de vorm van een getalenteerde jonge restaurantchef (Edoardo Gabbriellini), met wie haar lievelingszoon een ambitieus restaurant wil beginnen.
De naar Lady Chatterley lonkende romance tussen Emma en haar topkok staat in groot contrast met die rigoureuze openingsbeelden. De wellustig deinende lichaamsdelen van de minnaars zijn doorsneden met lyrische natuurbeelden, terwijl componist John Adams hier veel onstuimigere registers opentrekt. De filmische virtuositeit die Guadagnino aan de dag legt, is minstens zo overdonderend als het eigengereide, naar binnen gekeerde optreden van Swinton.
Alleen overrompelen de makers eerder het hoofd dan het hart van de kijker. In het laatste kwartier, als een soapachtige ontwikkeling de verhoudingen op scherp zet, laat Guadagnino de emoties hoog
oplopen.
Maar het blijven opera-emoties: afstandelijk en gestileerd. Daardoor overtuigt Io sono l'amore vooral als een sociologische analyse van wat er gebeurt als een lid van een hechte gemeenschap de normen schendt.
De afstandelijke stijl gaat echter ten koste van het portret van een vrouw die - ongeacht de consequenties - wil ontsnappen uit haar gouden kooi. In weerwil van de titel wordt Emma nooit de belichaming van De Liefde. Ze begint als een buitenbeentje, en zo eindigt ze ook.
FRITZ DE JONG