Fritzi kon wat weinig dichters kunnen: onbegrijpelijk zijn en toch overtuigen.
door Jos Bloemkolk
Fritzi ten Harmsen van der Beek (1927), die ook publiceerde onder de verkorte naam F. Harmsen van Beek, maakte in de jaren zestig furore als temperamentvolle vrouwe des huizes ('impertinente prinses') van het vervallen landhuis Jagtlust in Blaricum, dat een dependance was van artistiek Amsterdam. Ze woonde er onder meer met haar tijdelijke echtgenoot Remco Campert en ontving er vele vrienden, onder wie Gerard Kornelis van het Reve, die haar als 'mevrouw Oofi' vereeuwigde in Op weg naar het einde.
Zij heeft als schrijfster een klein oeuvre op haar naam staan, waarvan de hoogtepunten onvergetelijk zijn. Ook daarmee maakte zij furore. Sommige recensenten van haar dichtbundel Geachte Muizenpoot en andere gedichten (1965) stelden haar op één lijn met Lucebert en Vroman. Maar ze had moeite met de publieke aandacht die haar literaire roem met zich meebracht. Nadat zij zich had teruggetrokken op het Groningse platteland, wilde zij geen enkele inbreuk meer op haar persoonlijke leven en verbood zij uiteindelijk elke herdruk van haar werk. Wel stond ze toe dat haar werk naar haar dood in verzameling gepubliceerd zou worden. Dat is nu, drie jaar na haar dood, gebeurd. Donderdag verschijnt het verzameld werk In goed en kwaad van Fritzi ten Harmsen van der Beek.
Haar vroege gedichten zijn schitterend. Het klassiek geworden troostgedicht voor haar poes, 'de hemelse mevrouw Ping', die haar gebroed heeft verloren, is voor haar doen een wonder van begrijpelijkheid. Hoe spreekt zij tot 'dame Ping, radarbesnorde, dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin'?
Het is nu beter te zitten zonder weemoed in
de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog
teder is en de gordijnen levendig in de goede
vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,
kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,
er loopt een belangwekkend, héél klein maar
bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen
onder de hemelsblauwe hortensia
De zuivere, tedere toon, de adjectieven die in hun samengesteldheid doen denken aan Dylan Thomas, de aandacht voor dat heel kleine beestje - hier was een nieuwe, volkomen eigen, echte dichter opgestaan.
Ze kon wat weinig dichters kunnen: onbegrijpelijk zijn en toch overtuigen. (Die verwijzing naar Lucebert was zo gek nog niet.) Zie Twee raadselrijmen die samen een antwoord vormen dat bij nader inzien is zoekgeraakt:
Wat een ding en ben ik in goed of kwaad?
In oorsprong omhoog gevallen maar groeiend lager
en ondermaanser steeds zich vermoeiend en kwijtend
van stoeten ritseldingen die eerder als vleugel
reuzen boven hun hemel hieven maar waarvan later
kronieken niet meer vermelden langer waarheen gegaan -
Haar verhalen, verzameld in bundels als Neerbraak en Wat knaagt?, zijn te beschouwen als prozagedichten. Een plot hebben ze niet. Ze zijn tastende beschrijvingen van wat in een mens kan woelen: Daarzo zaten we in het donker en hierzo waren we praktisch verblind door het ochtendgegloor. En overal diezelfde kakafonie en dat terwijl onze twijfel niet meer dan een nuance van een heel fijnzinnig schaduwtje betrof en een nauwelijks waarneembare trilling van krekeldoof geluid.
Veel van haar teksten doen vermoeden dat zij ze in katertoestand heeft geschreven. De pijn, de verwarring, de doffe wanhoop, het schuldgevoel, de lichtzinnigheid die een mens in die toestand kunnen bevangen, neemt zij als schrijfster bloedserieus. Ze denkt niet: 't is maar tijdelijk, telt niet mee, gaat wel weer over. Ze gebruikt het juist als vruchtbaar materiaal. Daarmee schrijft zij soms mooie, soms al te duistere passages.
Ze schreef met dezelfde inzet als de prozaschrijver Samuel Beckett en de dichter Jan Arends. Maar zij had wat die twee misten: tederheid. Zie 13 manieren om in tranen uit te breken: '9) Met een jongen van vier naar de nachtvoorstelling van het circus gaan' en '13) In een vreemd land overdag een kerk binnengaan als er een kinderkoor aan het repeteren is'.
Haar artikelen voor onder andere Vrij Nederland (voornamelijk kunstrecensies) zijn even eigenzinnig als haar andere proza, maar ze zijn veel minder bevlogen. Haar stijl doet daar gemaniëreerd aan. In die dingen was zij niet zo goed. Maar in haar recensie van de bundel Een tuiltje schrikdraad van Thera Westerman zegt zij iets wat ook van toepassing is op haar eigen werk. '(...) het enig werkelijke onmisbare element in de poëzie, dat is de gave om een ander te ontroeren.'