Oud-zanger van Japan ontstijgt op Manafon aan alle genres en zichzelf.
door Theo Hakkert
Al toen hij nog leadzanger was van de groep Japan (hitje: 'Adolescent sex') flirtte David Sylvian met culturen die ver af stonden van de heersende trends van die tijd: punk, new wave, disco. Hij vervlocht dat, aangevuld met de glamour van Roxy Music, in de prachtige pop van Japan, maar ondertussen tuurde hij de horizon af.
Sylvian werkte samen met Ryuichi Sakamoto. Hij maakte, in 1984, een fenomenale soloplaat met Brilliant Trees. Een serie albums volgde, maar veel reuring veroorzaakten ze niet.
En nu is er een cd die Manafon heet. Op track 1, 'Small metal gods', is dit het instrumentarium: gitaar, akoestische bas, cello, laptop, nog een gitaar, turntables (en een no-input mixer). Plus stem, die van David Sylvian.
Het zou kunnen duiden op een song van een zanger met begeleiding. Maar de muziek is er niet, nauwelijks of minimaal. Sylvian's stem is de hele cd naar voren gemixt - gelukkig zingt hij beter dan ooit. De begeleiding levert flarden, als verdwaalde wolken op een zomerdag. Des te verrassender wanneer die wolken hun intense schoonheid prijsgeven, zoals de turntablekunst van Otomo Yoshihide op 'Random acts of senseless violence'.
Herhaaldelijk lijken stem en wat er aan begeleiding is, los van elkaar van te staan. Sylvian laat zich niet van de wijs brengen door de opspetterende klanken. Ja, dat maakt van Manafon niet bepaald een alledaagse popplaat. Ja, hier hangt een ernstig label aan van minimal music en intellect. Kamermuziek, maar van de hoogste orde. De sfeer is die van de laatste herfstdag op aarde. 'It's the narrative that must go on, until the end of time' zingt hij al in het openingsnummer.
Geheel los van alle wanen van alle dagen. Een fascinerend meesterwerk, dat is het. Sylvian heeft er drie jaar aan gewerkt. Opnamen in Wenen, Tokyo en Londen.
Met Nederlandse inbreng. De hoes toont twee werken van Ruud van Empel. Reëen tussen donkere bomen, maar met hoopvol licht aan de einder. Zoals de muziek.