Youp van 't Hek zes weken in Carré. En ondertussen zet hij humor in tegen het fenomeen helpdesk, vooral die van T-Mobile.
door Ronald Ockhuysen
Bijna een jaar speelt Youp van 't Hek (56) zijn voorstelling Omdat de nacht. En nee, met de finale in zicht is hij de productie 'helemaal niet zat'. Omdat elke avond anders is, en de zaal altijd weer veroverd moet worden. „Laatst nog heb ik een kwartier eruit gesloopt. Dat was broodnodig. Zoals mijn vriend Joop Koopman altijd zei: 'Het huis kreeg te veel erkertjes.' Het was tijd voor een verbouwing."
Van 't Hek staat sinds 1973 op het podium. Toch leert hij nog van elk optreden. „Het blijft een leuk doch ingewikkeld vak. Je mag nooit gemakzuchtig worden. Omdat het over minimale dingen gaat. Millimeterwerk. Het kan gebeuren dat ik bij de 120ste voorstelling toch tegen de muzikant zeg: 'dat was net een tel te laat'. Een buitenstaander zou dan kunnen denken: wat een ongelooflijke zeikerd. Maar om die ene tel gaat het nou juist. Die maakt het verschil tussen een haperende en een vloeiend lopende voorstelling."
Van 't Hek beleefde dinsdag de Amsterdamse première van Omdat de nacht. Hij staat maar liefst zes weken in Carré, wat in deze tijden van terugvallende kaartverkoop een gewaagde programmering lijkt. „De kaartverkoop in de theaters loopt terug, doordat de mensen minder kunnen uitgeven. Ik hoor echt rampverhalen. Ik heb, zeg ik niet zonder trots, daar geen last van. In Rotterdam, waar ik hiervoor een maand stond, was de zaalbezetting 92 procent. 1500 man. Elke avond. Ik ben het verwende kind dat sinds 1984 altijd uitverkocht is. Aan de andere kant: ook dat kind blijft bang dat het op een dag zomaar afgelopen is."
Zijn status heeft hij mede te danken, vermoedt hij, omdat hij zichzelf niet op tv in de uitverkoop doet. „Ik ben niet van de dingetjes en de klusjes. Ik moet in Hoorn spelen, in Delfzijl, Antwerpen. Dat is mijn basis. Dat ik me tijdens die 2,5 uur op het toneel in volledige concentratie geef aan het publiek. Daar heeft dat publiek recht op. Alles wat daarbij komt, gaat ten koste van dat moment. Ik zie collega's die overal en altijd opduiken. Om ook nog even hun mening te geven. Ik wil dat niet. Ik heb mijn handen vol aan het theater en mijn column in NRC."
'Omdat de nacht' begint met repeterende pianomuziek, waar vervolgens de stem van Van 't Hek bovenuit klinkt. Over een man in de file gaat het, en de vraag hoe mensen in staat zijn zichzelf jaren achter elkaar naar een baan te slepen waarover ze zich louter in afkeurende woorden uitlaten.
Toch is Omdat de nacht niet zomaar een variant op Van 't Heks afkeer van het kleinmoedige verdriet van de burgerman. Omdat de toon milder is, minder dwingend. „Dit programma is mijn lievelingsprogramma sinds jaren. Ik kan niet precies zeggen waarom. Ik voelde dat al bij het schrijven. Het gaat zoals altijd over leven, liefde en dood. De rode draad in ieders leven. Maar op een of andere manier bleek ik in staat mijn oude trucjes los te laten. Ik kan mezelf niet uitschakelen, natuurlijk, maar er zit meer lucht in. De toon is anders. Dat merk ik ook aan de reacties van het publiek. Ze mailen me dat de voorstelling blijft hangen. Dat ze er soms weken later nog aan terugdenken."
Hij werd, net op tijd, opnieuw verliefd op zijn vak. „Dat ging onbewust. Als je lang iets doet, is het gevaar groot dat het sleets wordt. Ik moest oppassen geen oude, chagrijnige komiek te worden. Tijdens de voorbereiding op deze voorstelling wist ik weer in wat voor een luxepositie ik me bevind. Dat ik de plicht heb alles eruit te halen."
We zeiken te veel, verkondigt Van 't Hek in Omdat de nacht. We zeuren en jammeren te vaak. Erger: mensen die wel wat van het leven willen maken, worden gegijzeld door die negatieve, klagende meerderheid. „Iedereen kent dat toch? Dat je op een feestje vraagt hoe het gaat, en dat iemand dan zegt: 'Het gaat wel weer.' Vreselijk vind ik dat. Van die types die zeuren dat hun partner is weggelopen en dat ze dat maar niet begrijpen. Ik denk dan: nou meneertje. Ik begrijp dat zeer goed."
De show gaat over het onbehagen van de huidige maatschappij. De mentaliteit, zegt Van 't Hek, dat we elkaar niets meer gunnen, en door angst op hol slaan. „Zo heb ik absoluut nooit last van hoofddoekjes, om maar wat te noemen." Die onvrede is even hardnekkig als ongegrond. „Het is nu herfstvakantie, en iedereen lijkt wel met vakantie. Ik sprak met de haringman. Die was net even naar Venezuela geweest. 'Altijd zon,' zei hij er ook nog bij. Hij had het wel leuk gehad."
De maatschappij wordt almaar primairder, stelt Van 't Hek, en hij vermoedt dat internet daarin een rol speelt. „Ik lees met veel plezier dagelijks de reacties van lezers op Telegraaf.nl. Ongelooflijk geestig. Grote woorden, geen kennis van zaken." Hij kreeg onlangs een mail van een dame die zich beklaagde over zijn column. „Een woedend epistel. Maar het ging over iets dat ik helemaal niet had geschreven. Later bleek dat ze het allemaal van horen zeggen had, en zelf helemaal niets had gelezen. Dat is typerend. Iedereen rolt maar over elkaar heen met meningen en tirades. Zonder enige reflectie of een keertje ademhalen."
Van 't Hek denkt dat hij als komiek de tijdgeest vast moet pinnen. Hij probeert zijn visie op de tijd te geven. Maar het belangrijkst blijft, stelt hij nadrukkelijk, dat het om te lachen moet zijn. Dat geldt ook voor zijn wekelijkse column in de zaterdagkrant van NRC Handelsblad. Op die plek, 'een soort miniconferences', schoot hij de afgelopen week weer raak toen hij verhaal deed van zijn zoons ervaringen met het telecombedrijf T-Mobile. Zijn mailbak stroomde onmiddellijk over. Met duizenden en nog eens duizenden reacties.
„Ik heb een open zenuw geraakt. Er lopen heel veel mensen rond die door grote bedrijven doorlopend met een kluitje in het riet worden gestuurd. De kracht van het grootkapitaal. Het is een terreur waar de gewone mens niets tegen kan beginnen. Het medicijn is om er vooral onbedaarlijk hard om te lachen."
De komende weken draait zijn leven om de voorstellingen in Carré. Zoals altijd zal hij ook daar rond zes uur samenkomen met zijn muzikanten en technici, om eerst wat te eten. „Een vaste discipline. Daar hecht ik aan. Zodat het goede gevoel ontstaat. Er is bij ons nooit gezeik. Er wordt achter de schermen veel gelachen, maar als het erop aankomt, is iedereen bloedserieus. Het publiek moet toch van me kunnen verwachten dat ik me niet verspreek."
Dat respect voor het publiek zit diep. Hij staat dichtbij de mensen, vindt hij. „In Carré is een achterdeur. Daar staan bij musicals altijd rijen fans. Bij mij staat er niemand. Mijn publiek kent mij, en ziet mij als een van hen. Geen sterrengedoe."
Die houding reikt tot in zijn bedrijfsvoering. Waar een musicalkaartje gauw 60 euro kost, vraagt Van 't Hek niet meer dan 30 euro, en bovenin het theater liggen de prijzen onder de 20 euro. „Ik wil dat alles erin zit. Ik wil fietsen tegen de pui, echt waar. Dat de vriendinnetjes van mijn dochter kunnen komen. Dat vind ik belangrijker dan dat de Akzo binnen zit. Of de personeelsvereniging van T-Mobile."
De sleutel van zijn succes is, denkt hij, die dunne grens tussen hem en het publiek. „Er is eens geschreven dat mijn voorstellingen eigenlijk de kroeg zijn, en ik dan de leukste ben van de tent. Daar kan ik me goed in vinden. Ik zou deze voorstelling ook zittend aan een tafeltje kunnen doen, met een paar man eromheen. Dat is de essentie van cabaret: het moet gewoon leuk zijn, er moet gelachen worden. Dat is de kern. Grappig zijn."
Laatst kwam hij boos het toneel op, kort nadat hij op de radio had gehoord dat het kabinet flink bezuinigt op de ontwikkelingshulp en tegelijk meer geld investeert in asfalt. 'Schaam je dood, man!', riep hij tot de zaal. „Na de voorstelling zei een van de muzikanten: 'Je was echt boos, hè?' Toen wist ik: dat is dus niet goed."
De volgende avond verpakte hij zijn verontwaardiging in humor. Hij maakte een grap over de nieuwe, brede wegen, zodat immigranten voortaan – 'maar dan wel op eigen kosten' – vol gas kunnen doorrijden naar de Randstad. „Dat werkt dan veel beter."
Dat zoeken en tasten blijft een onzeker proces. Dat verandert niet, net zoals het succes hem ook als persoon niet veranderde. „Succes is een raar fenomeen. Ik heb een creditcard die het altijd doet. Dus de kans om de verkeerde weg in te slaan is groot. Maar gelukkig heb ik nooit de neiging tot een Porsche gekregen. Dat is iets wat mij oprecht tevreden kan stemmen."