Welkom in de wereld van Veldhuis en Kemper. Twee reclamejongens die in het cabaret stapten. Die zichzelf eigenlijk al cabaretier voelden, maar het per ongeluk nog niet waren. tegenwoordig echter wel alom geaccepteerd, zelfs bij de kritische hardcore kleinkunstelite.
Door Jan Vriend
Hoe begint zoiets? Twee jongens doen wat in de reclame en bij de tv. Onbekenden voor elkaar, werkzaam in andere werelden. Maar allebei willen ze toch liever het podium op. En dat vertellen ze, in de kroeg. Zó vaak dat vrienden er genoeg van krijgen. En één kameraad zegt dat ze het dan maar eens moeten proberen, samen in de schijnwerpers. Ze maken een programma, huren een zaal af en eindigen in de finale van het Camarettenfestival, dé talentenjacht van het cabaret. Ze worden vrienden, ze worden zwagers, ze worden collega's. En bestormen met het liedje 'Ik wou dat ik jou was' zelfs de hitlijsten. Inmiddels zijn we zeven jaar verder en staan Veldhuis en Kemper in de theaters met met hun vijfde voorstelling 'We moeten praten'. De try-outs van hun zesde show ('Dan maar niet gelukkig') gaan in december van start.
Bij de start van jullie cabaretloopbaan was de kleinkunstelite kritisch over jullie werk. Het was niet cultureel correct om jullie goed te vinden. Is dat veranderd?
Kemper: „Dat ze ons met argwaan bekeken, is begrijpelijk. Het cabaret was altijd een wereld van Neerlandici, domineeskinderen en het clubje rond de Kleinkunstacademie. Als daar dan opeens twee jongens uit de reclamewereld komen binnenwalsen en volle zaken trekken, is dat even schrikken. Vooral als die nieuwkomers ook meteen een hit scoren. In de reacties was het cabaretwereldje lang niet zo lieflijk als ik me had voorgesteld. De reclame is hard, maar het cabaret is nog veel harder! Gelukkig vonden anderen in de cabaretwereld het juist verfrissend dat er mensen uit onverwachte hoek de kussens in hun vak kwamen opschudden. Het aardige was dat ons publiek meteen begreep welke snaar we wilden raken. Met de kaartverkoop zat het daarom al snel goed. En bij iedere nieuwe voorstelling die we maakten, kregen we goede beoordelingen van de vakpers. De recensies van ons laatste programma waren zó overweldigend dat ze kritische achterblijvers de mond wel hebben gesnoerd. Ik denk dat de argwanende cabaretvolger ons aanvankelijk in de hoek van de marketing had gezet. Wij waren zogenaamd de snelle jongens die meeliftten op het succes van het cabaret. Als reclamejongen snap ik dat de buitenwereld anderen graag in vakjes stopt, maar het was onzin.
Voor onszelf hebben we echt geen marketingplan. Succes op het podium is niet maakbaar. Dat werkt alleen als je jezelf bent.” Veldhuis: „Die grens tussen cultureel correct en niet-correct is toch helemaal weggevallen? Tegenwoordig omarmt ook de kunstelite Jan Smit. En Sara Kroos staat op het podium naast Marco Borsato en Mathilde Santing. Dat zegt toch genoeg?”
Cabaretiers hebben de naam dat ze de wereld willen veranderen. Wat moet er anders, volgens jullie?
Kemper: „Het zou hooghartig zijn om te denken dat we met ons cabaret de wereld kunnen veranderen. Zolang we ons publiek een leuke avond kunnen bezorgen, is dat al heel wat. Toon Hermans zei dat er te veel wijsneuzen en te weinig feestneuzen zijn. Zo voel ik dat ook. Als we ons publiek een spiegel voorhouden, mag het dan een lachspiegel zijn?” Veldhuis: „Cabaret mag confronterend zijn, maar wat mij betreft laten we het publiek vooral zien dat een ander ook maar wat klungelt met het leven. Daarbij helpt het om onze eigen zorgjes en twijfels uit te vergroten. Het biedt troost als de zaal ontdekt dat ze niet de enigen zijn die ergens mee worstelen. Laten we het niet zwaarder maken dan het is, maar wat mij betreft laten we het publiek vooral om zichzelf lachen. Als er al een boodschap in zit is het: maak je niet druk. We lopen toch allemaal te klooien? Ik las laatst over een onderzoek waaruit blijkt dat de meeste mensen genoeg hebben van negatieve geluiden. Maar liefst 87 procent van de Nederlanders vindt dat het positieve overheerst en dat je dat best mag uitstralen. Zullen we daar maar
gewoon mee beginnen met z'n allen?”
Kemper: „Je houdt altijd types die blijven zeuren over de tegenvallers en de bezwaren, maar het is de kunst om je daar niet te veel van aan te trekken. Op een verjaardag zit ook altijd één zeikerige oom die deuken in zijn auto kreeg en bij wie de honden voor de deur poepen. En die daar maar over door blijft zeuren. Zo'n avondje kan dan alsnog slagen als je met de rest van de visite één blok tegen de zeurpiet kunt vormen. Die verbroedering is de basis om er toch nog een leuk feestje van te maken. Als we iedereen meekrijgen, kunnen we het in ons land toch ook zo aanpakken?”
Hebben de cabaretiers hier dan toch nog een boodschap te pakken?
Veldhuis: „Vooruit, dan. Zolang de mens tussen het maken van fouten door een beetje lief is voor overstekende vrouwtjes en anderen die óók fouten maken, komt het allemaal wel goed.”
In de theaters:
Zinin Nijverdal, 1 februari
Reggehof Goor, 15 februari
De Bond Oldenzaal, 17 februari
Muziekkwartier Enschede, 1 april
Theaterhotel Almelo, 21 mei